Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:6693
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
797 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10487378 \ CV EXPL 23-6336
Vonnis van 2 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RIOOLMEESTER B.V.,
gevestigd te Warmenhuizen,
eisende partij,
gemachtigde: mr. G.E. Hamer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 24 juni 2025. In dit tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de transparantie van het prijsbeding en het voornemen van de kantonrechter tot vernietiging van enkele bedingen in de algemene voorwaarden.
1.2.
Eisende partij heeft geen akte genomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Nu eisende partij zich, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet heeft uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding, terwijl hierover ook niets is gesteld in de dagvaarding, kan het ambtshalve onderzoek niet goed worden uitgevoerd. In navolging van het tussenvonnis moet het daarom ervoor worden gehouden dat het prijsbeding niet transparant en ook oneerlijk is, omdat niet gesteld of gebleken is dat eisende partij vóór het sluiten van de overeenkomst informatie over de prijs heeft verstrekt die gedaagde partij in staat stelt bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen.
2.2.
Gevolg daarvan is dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en de overeenkomst ook niet kan blijven voortbestaan. Nu niet is gebleken dat gedaagde partij daardoor ernstig in zijn belangen wordt geschaad, is aanvulling van de overeenkomst niet aan de orde. De overeenkomst is immers uitgewerkt, doordat de diensten zijn verricht. Ondanks dat gedaagde partij in een situatie van rechtsonzekerheid kan komen te verkeren, omdat eisende partij een vordering kan instellen op grond van ongerechtvaardigde verrijking of ongedaanmaking van de prestaties, zal zo’n vordering niet slagen, nu het niet redelijk is een vergoeding van de waarde van de prestaties toe te kennen als gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding.
2.3.
Het voorgaande leidt tot integrale afwijzing van de vordering.
2.4.
Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2025.
991