Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:6680
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,317 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10725791 \ CV EXPL 23-13027
Vonnis van 5 augustus 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIN ASSURADEUREN B.V.,
gevestigd te Ridderkerk,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 mei 2025,- de akte van eisende partij, met producties.
1.2.
Gedaagde partij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld gemotiveerd en met stukken toe te lichten:
wat voor soort overeenkomst aan de vordering ten grondslag ligt en deze te overleggen,
op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen,
dat is voldaan aan de van toepassing zijnde informatieplichten,
of en zo ja welke algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard en deze te overleggen,
op welke wijze de algemene voorwaarden aan gedaagde partij zijn verstrekt,
of de vordering is gegrond of had kunnen worden gegrond op een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden en dit beding niet oneerlijk is.
2.2.
Eisende partij heeft de gevraagde informatie en stukken bij akte verstrekt.
2.3.
Eisende partij heeft toegelicht dat de facturen betrekking hebben op twee verzekeringen, een van een auto en een van een scooter. Beide verzekeringsovereenkomsten zijn online tot stand gekomen. De verzekeringspolissen en alle van toepassing verklaarde sets algemene voorwaarden zijn overgelegd.
2.4.
Op dit moment is bij financiële producten nog niet duidelijk of informatieplichten ambtshalve moeten worden getoetst, en zo ja, in hoeverre en welke. Evenmin is duidelijk, mocht worden vastgesteld dat niet (volledig) aan de informatieplichten is voldaan, of hiervoor een sanctie moet worden opgelegd en zo ja welke, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij overeenkomsten die geen financiële product betreffen (ECLI:NL:HR:2021:1677). Daarom zijn hierover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (ECLI:NL:RBAMS:2024:6633). Tot aan het moment waarop de Hoge Raad deze vragen heeft beantwoord, wordt geen aanleiding gezien om op te uitkomst vooruit te lopen. Om die reden wordt met de gemotiveerde toelichting in de akte dat is voldaan aan de van toepassing zijnde (pre)contractuele informatieplichten, in combinatie met de polissen, vooralsnog genoegen genomen.
2.5.
Eisende partij stelt dat de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden tijdens het aanvraagproces, voor de totstandkoming, in beeld komen en met een hyperlink kunnen worden gelezen en als pdf-bestand kunnen worden opgeslagen. Na de aanvraag is per e-mail de polis en de algemene voorwaarden als bijlage (pdf-bestanden) aan gedaagde partij toegestuurd.
2.6.
In de akte heeft eisende partij het standpunt ingenomen dat er geen oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden staan. Eisende partij heeft niet toegelicht welke bedingen aan de vordering ten grondslag zijn, of kunnen worden gelegd. Die bedingen moeten ambtshalve worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een transparant prijsbeding, zodat toetsing van dat beding op oneerlijkheid ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet aan de orde is. Het premiebedrag per periode staat in de polissen. Nu de gevorderde premiebedragen niet hoger zijn dan de bedragen genoemd in de polissen, is de gevorderde hoofdsom toewijsbaar.
2.8.
In de algemene voorwaarden (VP 2018-01) staat het volgende beding, dat moet worden getoetst.
4.3
Hebt u een betalingsachterstand?
Betaalt u de premie niet, of niet volledig? Dan zullen wij u aanmanen om te betalen. Betaalt u de premie niet binnen de termijn van 14 dagen die wij noemen in de aanmaningsbrief? Dan bent u niet meer verzekerd vanaf de dag dat u de premie verschuldigd was. Dit is de eerste dag van de dekkingsperiode waarvoor de premie geldt. U hebt dan ook geen recht op schadevergoeding. U blijft verplicht om de premie alsnog te betalen. De dekking gaat weer in, één dag nadat we uw betaling hebben ontvangen en geaccepteerd. We kunnen ook besluiten om de verzekering(en) waarvoor de betalingsachterstand geldt, te beëindigen. We laten u dan schriftelijk weten wanneer uw verzekering eindigt. Als u de premie niet op tijd betaalt, dan betaalt u extra kosten zoals herinneringskosten of kosten van het incassobureau dat wij inschakelen.
2.9.
Het hiervoor geciteerde artikel bevat een beding over (incasso)kosten. Nu eisende partij aanspraak maakt op buitengerechtelijke incassokosten, moet dit beding worden getoetst. Eisende partij vindt het beding niet oneerlijk, maar op grond van het beding kunnen, zonder limiet, diverse soorten kosten, waaronder herinneringskosten en incassokosten bij de consument in rekening worden gebracht. Door de formulering heeft het beding dan ook een aanzienlijk bredere strekking dan de incassokosten die op grond van de wet zijn te vorderen. De bedongen kosten zijn niet limitatief opgesomd (‘zoals’), zodat niet duidelijk is welke andere kosten nog in rekening kunnen worden gebracht en hoe hoog die kosten zullen zijn. Er wordt geen maximum aan verbonden. Nu eisende partij zichzelf met het beding de bevoegdheid heeft gegeven om ongelimiteerd kosten bij de consument in rekening te brengen, is sprake van een aanzienlijke verstoring van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst, ten nadele van de consument. Het beding is daarom oneerlijk, zodat het buiten toepassing moet worden gelaten. Terugvallen op de wettelijke regeling met betrekking tot incassokosten is in dat geval niet meer mogelijk. Gevolg hiervan is dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Nu eisende partij reeds in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over (de (on)eerlijkheid van) de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en zij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt door te stellen dat geen van de bedingen in de algemene voorwaarden oneerlijk zijn, krijgt zij niet nogmaals de gelegenheid zich over de vernietiging van het beding uit te laten.
2.10.
Eisende partij heeft geen rentebeding in de algemene voorwaarden staan, zodat de gevorderde wettelijke rente kan worden toegewezen als gevorderd.
2.11.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 624,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 600,28, met ingang van 13 september 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 654,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025.
991