Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:6466
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/161391-25
Datum uitspraak: 4 september 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 maart 2025 door the District Court in Kraków, Third Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] Polen op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een vonnis van 16 oktober 2017 van the District Court in Kraków, Third Criminal Division (referentie: III K 167/12);
een arrest van 19 november 2024 van the Appellate Court in Kraków (referentie: II AKa 86/24).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen.
De hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure of procedures die ten grondslag ligt/liggen aan een EAB. In dit artikel is bepaald dat overlevering kan worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij zich één van de in dat artikel onder a tot en met d genoemde omstandigheden voordoet.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Uit de verklaring van de opgeëiste persoon en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 augustus 2025 volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die heeft geleid tot het arrest in hoger beroep, maar dat zij daar wel is vertegenwoordigd door een door haar gemachtigde advocaat die ook de verdediging heeft gevoerd. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder b van de OLW doet zich dus voor. Weigering van de overlevering op grond van artikel 12 OLW is daarmee niet aan de orde.
5Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
Lijstfeit 8: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7Afwijzing verzoek om aanhouding
De rechtbank wijst af het verzoek van de raadsman om de zaak aan te houden in afwachting van de behandeling van de zaak in cassatie in Polen. In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 augustus 2025 staat over het arrest in hoger beroep dat dit arrest final is en dat het ‘may be appealed by way of an extraordinary remedy – cassation’, met andere woorden: het betreft geen gewoon rechtsmiddel. De rechtbank heeft eerder al vastgesteld dat cassatie in de Poolse rechtsorde geen gewoon rechtsmiddel is en alleen open staat tegen onherroepelijke beslissingen. Dit betekent dat een cassatieberoep niet maakt dat er geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing en vrijheidsstraf. De lopende cassatieprocedure staat daarom niet aan de overlevering in de weg. De raadsman heeft er nog op gewezen dat de echtgenoot van de opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft, ook is veroordeeld in hoger beroep maar dat zijn straf door Nederland in verband met de lopende cassatieprocedure in Polen (nog) niet in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Het (kennelijke) verzoek van de echtgenoot zijn straf in Nederland uit te zitten betreft echter een andere procedure en kan er niet aan afdoen dat het Poolse arrest ten aanzien van de opgeëiste persoon voor tenuitvoerlegging in Polen vatbaar is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden in verband met de lopende cassatieprocedure.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat de overlevering daarom toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Kraków, Third Criminal Division, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie: Rb Amsterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1806.