Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:642
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,726 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4249
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J. de Groot).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1], uit Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het plaatsen van een dakterras en daklicht op de locatie [adres 1] [huisnummer 1] in Amsterdam.
1.1.
Verweerder heeft deze vergunning met het primaire besluit van 5 juli 2023 gedeeltelijk geweigerd. Met het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard en het primaire besluit van 5 juli 2023 herroepen. De gevraagde omgevingsvergunning is met het besluit van 11 juni 2024 alsnog verleend aan vergunninghouder.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Eiser was aanwezig samen met zijn partner [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder was aanwezig bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Op 4 januari 2023 heeft vergunninghouder bij verweerder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van een dakterras en daklicht op een dakdeel van zijn woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] in Amsterdam. Verweerder heeft de omgevingsvergunning met het primaire besluit gedeeltelijk geweigerd, omdat vanuit het aangevraagde dakterras op korte afstand inkijk mogelijk is in de ramen van het naburige pand, [adres 1] [huisnummer 2] . Hierdoor wordt de privacy van de omwonenden onevenredig aangetast. Verweerder heeft aangegeven dat het dakterras ingekort dient te worden. De vergunninghouder heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder, op grond van het advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie), het bezwaar van de vergunninghouder gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. De commissie was van mening dat ten onrechte is geoordeeld dat het dakterras in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. De afstand tot de ramen van het naburige pand is namelijk 6 tot 6,5 meter en volgens de commissie is enige vermindering van de privacy, door gebruik aan buitenruimten, inherent aan het wonen in een hoogstedelijke omgeving. Op grond hiervan is met het besluit van 11 juni 2024 de omgevingsvergunning alsnog verleend. Tegen dit besluit stond alleen beroep open.
2.2.
Eiser is eigenaar van het pand aan de [adres 1] [huisnummer 3] . Zijn perceel grenst aan het perceel van vergunninghouder.
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoering Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold.
3.1.
Vergunninghouder heeft zijn aanvraag ingediend op 4 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Westelijke Binnenstad’ van toepassing. Op het perceel van vergunninghouder is de bestemming “Gemengd-1” met specifieke bouwaanduiding “orde 1” van toepassing. Het plaatsen van een dakterras is in strijd met artikel 6.2.5, onder b, en artikel 6.2.8, onder c, van de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan, omdat een dakterras niet is toegestaan en de bouwhoogte van een “orde 1” pand hierbij ook wordt overschreden.
4.1.
De Wabo geeft verweerder de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft, met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling, van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van onaanvaardbare privacyschending onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder geen consistent beleid voert. Verweerder heeft een aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning afgewezen terwijl eiser dezelfde gronden heeft aangevoerd als de vergunninghouder. Eiser doet ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de vergunninghouder wel een dakterras vergund heeft gekregen en eiser niet. Eiser voert aan dat de klimopwand, die deel uitmaakt van het dakterras van de vergunninghouder, tegen de muur van eiser is neergezet en daardoor inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht.
Strijd met het bestemmingsplan
6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) behoort de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan, waarbij het bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft. De rechter moet deze beslissing van het bestuursorgaan terughoudend toetsen, hetgeen wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen.
7. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden inhouden dat de argumenten van verweerder om alsnog een omgevingsvergunning te verlenen aan de vergunninghouder ook opgaan voor het terras van eiser. Het gaat hier vooral om de argumenten betreffende geluidshinder en privacy in een stedelijke omgeving. Goed beschouwd is eiser het dus eens met de argumenten van verweerder en heeft eiser in zoverre eigenlijk geen procesbelang bij zijn beroep.
8. Wat betreft de beroepsgrond van eiser die ziet op de klimopwand stelt de rechtbank vast dat partijen over dit punt van mening verschillen. Volgens eiser is de klimop bevestigd aan de muur die het eigendom is van eiser. De vergunninghouder stelt evenwel dat de muur deels zijn eigendom is, omdat de muur voor een deel op zijn perceel staat. Voor zover eiser betoogt dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering om de omgevingsvergunning te verlenen, slaagt dit betoog niet. Alleen als er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat grond een omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank overweegt dat, nu partijen van mening verschillen over het eigendomsrecht, van een evidente belemmering geen sprake is. Zonder nader (juridisch) onderzoek kan daarover geen beslissing worden genomen.
9. Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, slaagt deze beroepsgrond niet. Eiser heeft gewezen op de weigering van zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een dakterras op het dak van het achterhuis van zijn woning ( [adres 1] [huisnummer 3] ). Het belang gediend met die aanvraag kan eiser niet bereiken met deze beroepsprocedure. Verweerder zal nog op het bezwaar van eiser tegen de weigering van die vergunning een besluit moeten nemen. Daarnaast verschilt de aangevraagde vergunning van eiser ook van die van de vergunninghouder, omdat de dakterrassen op verschillende stukken van het dak worden geplaatst. De vergunninghouder heeft een vergunning gekregen voor een terras op het tussenstuk tussen het voorhuis en het achterhuis. De aanvraag van eiser ziet, zoals vermeld, op een dakterras op het achterhuis. De rechtbank overweegt dat vanwege de verschillende situering van de dakterrassen er geen sprake is van vergelijkbare gevallen.
10. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat er vanaf het vergunde terras inkijk kan zijn op de achtergevel van zijn voorhuis. Deze inkijk is mogelijk door aan de achterkant van het vergunde dakterras op het tussenstuk te staan, ter hoogte van het dak van het achterhuis van eiser. Vergunninghouder bestrijdt dat er sprake kan zijn van de bedoelde inkijk.
11. Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. Gegeven de ter zitting besproken tekening van de situatie ter plaatse en de toelichting van partijen daarop, zou kunnen worden aangenomen dat enige inkijk mogelijk is. Echter, is die inkijk naar het oordeel van de rechtbank, gezien de plaats op het tussenstuk van waaruit zicht zou bestaan op de achtergevel van eisers voorhuis, zó gering dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy van eiser. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat enige aantasting van de privacy, in een dichtbebouwde, stedelijke omgeving als hier aan de orde, toelaatbaar is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, in combinatie met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
AMS 22/3240.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:54.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3968.