Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-09-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:6386
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/6492 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.N. Arikan), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Santing). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de inburgeringsplicht op grond van de Wet inburgering 2021. 1.1. Met het besluit van 8 december 2022 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het bezwaar van eiseres tegen de brief van DUO van 25 mei 2022 waarin staat dat zij inburgeringsplichtig is, niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Op 15 mei 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van 25 mei 2022 een besluit is. De rechtbank heeft om die reden het besluit vernietigd en aan DUO opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak. 1.3. Op 23 september 2024 heeft DUOhet bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit). 1.4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Wat ging er aan deze zaak vooraf? 2.1. Eiseres heeft de Turkse nationaliteit en staat vanaf 17 mei 2022 ingeschreven op een adres in het Nederlandse Basisregister Personen (BRP). Op 11 oktober 2021 heeft eiseres vanuit Turkije een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning (mvv). Op 19 januari 2022 heeft zij de mvv gekregen zonder in te burgeren in Nederland vanuit het buitenland vanwege het op dat moment geldende associatierecht tussen de EU en Turkije. 2.2. Sinds 1 januari 2022 is er een nieuw inburgeringsstelsel in Nederland in werking getreden. In artikel 3 van de Wet inburgering 2021 staat dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c van de Vreemdelingenwet 2000, die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, inburgeringsplichtig is. Vóór1 januari 2022 waren Turkse onderdanen uitgesloten van deze inburgeringsplicht omdat dit in strijd was met het associatierecht tussen de EU en Turkije. 2.3. Eiseres heeft sinds 12 februari 2022 rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd. Op 25 april 2022 is eiseres haar verblijfsrecht bekend gemaakt omdat deze toen door haar is opgehaald. Vervolgens heeft zij op 25 mei 2022 de kennisgeving inburgeringsplicht van DUO ontvangen, waarin staat dat zij inburgeringsplichtig is. Is eiseres inburgeringsplichtig? 3.1. Eiseres voert aan dat zij niet inburgeringsplichtig is. Zij heeft de aanvraag voor haar verblijfsrecht juist ruim vóór 1 januari 2022 ingediend, zodat zij niet gehouden is aan de inburgeringsplicht. Dat het verblijfsrecht pas na 1 januari 2022 aan haar is toegekend, wordt haar nu ten onrechte tegengeworpen. Eiseres ging ervan uit zij niet meer hoefde in te burgeren na haar aankomst in Nederland omdat zij haar aanvraag voor een verblijfsvergunning vóór 1 januari 2022 heeft ingediend en vanuit Turkije niet inburgeringsplichtig was. Zij had immers al vrijstelling gekregen voor de inburgeringsplicht op grond van de mvv. Eiseres voert aan dat het in strijd is met zowel de rechtszekerheid als het zorgvuldigheidsbeginsel dat de inburgeringsplicht nu alsnog aan haar wordt tegengeworpen. Het feit dat zij eerst werd vrijgesteld van de inburgeringsplicht en dat deze op een later moment toch nog aan haar wordt opgelegd, is inconsequent handelen van de overheid. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek. Daarnaast heeft eiseres in het beroepschrift aangevoerd dat verweerder in soortgelijke zaken heeft afgezien van de oplegging van de inburgeringsplicht. Tijdens de zitting is gebleken dat eiseres deze beroepsgrond niet langer handhaaft. 3.2. De rechtbank kan zich niet vinden is het standpunt