Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:6352
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,947 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-138376-25
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 27 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2025 door de Buda Central District Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd door the National Tax and Customs Administration, Dél-Alföld Criminal Directorate, Békés County Department, Békés Division of Investigations II op 24 oktober 2024, met kenmerk 61003/435-855/2016.bü, en goedgekeurd door the Békéscsaba District Prosecutor’s Office op 21 maart 2025, met kenmerk B.B.1307/2024/2.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. De verstrekte informatie is innerlijk tegenstrijdig, nu de onderneming die in de feitomschrijving wordt genoemd ( [onderneming 1] ) is geliquideerd in 2013, terwijl de strafbare feiten pas in 2016 zouden zijn gepleegd. Daarnaast bevat het EAB een opsomming van alternatieve deelnemingsvormen waardoor de mate van betrokkenheid voor de opgeëiste persoon niet duidelijk wordt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In het EAB worden weliswaar meerdere deelnemingsvormen benoemd, maar in het A-formulier wordt de opgeëiste persoon aangemerkt als ‘dader’. Het EAB moet in samenhang met dit A-formulier worden bezien. Bovendien betekent het feit dat een onderneming ‘in liquidatie’ is, niet dat deze onderneming geen handel meer kan drijven. Dit doet niet af aan de verdenking jegens opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB en het A-formulier voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid als dader bij btw-fraude in de periode van 1 januari 2016 tot en met
30 mei 2016 in Hongarije. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht als algemeen directeur en eigenaar (‘managing director and owner’) van de onderneming ‘ [onderneming 2] ’ valse facturen te hebben uitgegeven aan ‘ [onderneming 1] ’, zodat ‘ [onderneming 1] ’ zijn btw-verplichtingen in de eerste helft van 2016 met 26.643.056 HUF kon verlagen. Uit het EAB blijkt dat ‘ [onderneming 1] ’ zich sinds 19 juni 2013 ‘in liquidatie’ bevindt terwijl niet is gebleken dat de liquidatie in 2016 is afgerond en/of de onderneming niet meer bestaat. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat ‘ [onderneming 1] ’ in 2016 nog niet was geliquideerd. Verder staat in het A-formulier dat de opgeëiste persoon als dader wordt aangemerkt. Op grond van de feitomschrijving, in samenhang gelezen met het A-formulier, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame beschrijving van de strafbare feiten en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon.
Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Hongarije wordt verdacht en de mate van betrokkenheid daarbij is in deze fase nog onderwerp van onderzoek en zal later binnen de procedure in Hongarije moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman stukken overgelegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Weliswaar staat hij ingeschreven sinds 2019 in de Basisregistratie Personen, maar niet is aangetoond dat hij in de afgelopen vijf jaar (voldoende) inkomen heeft genoten. Volgens de aangiftes die opgeëiste persoon heeft overgelegd heeft hij in 2020 en 2021 geen inkomen genoten. Over 2024 en 2025 is geen enkel gegeven over het inkomen ingediend.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Buda Central District Court (Hongarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en C.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 augustus 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2025:232.
De officier van justitie heeft verwezen naar ECLI:NL:RBAMS:2025:232.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Inleiding
Dit maakt dat hij niet gelijk gesteld kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; en
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Wel heeft hij de afgelopen vijf jaren, vanaf 2019, ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen op een adres in [plaats 1] en later in [plaats 2] . Dit betekent dat hij hier vermoedelijk ook gewoond zal hebben. Of zijn verblijf in Nederland gedurende die jaren ook rechtmatig was omdat hij (voldoende) inkomen genereerde als werknemer of zelfstandige, is echter onduidelijk gebleven. Uit de overgelegde aanslagen inkomstenbelasting blijkt dat de opgeëiste persoon zelf heeft aangegeven dat hij in 2020 en 2021 geen inkomsten heeft genoten. Daar staat weliswaar tegenover dat hij volgens de opgave van het UWV in het jaar 2021 meer dan 1.800 uren gewerkt zou hebben, maar daarover heeft hij geen verklaring kunnen geven. Over de jaren 2024 en 2025 zijn geen gegevens overgelegd. De opgeëiste persoon heeft gezegd dat hij als zzp-er in de bouw gewerkt heeft. Dit is echter op geen enkele wijze aangetoond. Daarmee heeft de opgeëiste persoon niet aangetoond dat sprake is geweest van een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland gedurende een periode van vijf jaren. Daarom kan hij niet worden gelijkgesteld met een Nederlander.
Aan de eerste voorwaarde is aldus niet voldaan. Dat betekent dat de rechtbank niet aan een verdere bespreking van het gelijkstellingsverweer toekomt en dat het verweer niet slaagt.
6Artikel 11 OLW: Hongaarse detentieomstandigheden
Inleiding
In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank op basis van het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting van Tiszalök, gelet op de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Het Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law heeft bij brief van 15 juli 2025, voor zover van belang, de volgende garantie gegeven:
“The Hungarian authorities guarantee that in case the surrender of [de opgeëiste persoon] occurs, he will not be placed in the Tiszalök National Prison and – in line with our attached binding assurance – he will be transported for placement to the Szombathely National Prison as soon as possible.”
Bij de brief is een bijlage gevoegd van Hungarian Prison Service Headquarters van 15 juli 2025 waarin onder meer het volgende is aangegeven:
“Depending on the stage of the criminal proceedings, it cannot be clearly predicted in which Hungarian penitentiary institution the extradited prisoner will initially be placed. However this is not even relevant, as [de opgeëiste persoon] will be transferred to the Szombathely National Prison shortly after his admission”.
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt om aanhouding van de zaak om nadere vragen te kunnen stellen over de detentieomstandigheden aan de Hongaarse autoriteiten. Het is niet duidelijk waar de opgeëiste persoon in eerste instantie zal worden geplaatst en wanneer overplaatsing naar the Szombathely National Prison zal plaatsvinden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Hongaarse detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak een algemeen gevaar aangenomen voor de detentie-instelling in Tiszalök. Uit de aanvullende informatie van 15 juli 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in Tiszalök zal worden gedetineerd. Daarmee is geen sprake van een algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande garantie. Uit deze individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering niet zal worden gedetineerd in Tiszalök maar naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in the Szombathely National Prison. Hier zal hij – zo snel als mogelijk is – na aankomst naar worden overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Het verweer van de raadsman maakt dit niet anders, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de zaak aan te houden en aanvullende informatie op te vragen bij de Hongaarse autoriteiten. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.