Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-29
ECLI:NL:RBAMS:2025:6345
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,603 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11641784 \ CV EXPL 25-5721
Vonnis van 29 augustus 2025 (bij vervroeging uitgesproken)
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiseres] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ( h.o.d.n. [handelsnaam] B.V.),
tegen
[gedaagde] , ouder van [betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:
- de dagvaarding van 4 april 2025, met producties;- de conclusie van antwoord met producties;- het instructievonnis van 9 mei 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- de dagbepaling mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025. Namens [eiseres] is verschenen haar vennoot [naam] met de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. De VOF heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1.1.
Op 21 juli 2024 heeft [gedaagde] haar dochter op de website van [eiseres] ingeschreven voor een vijfdaags ponykamp vanaf 19 augustus 2024. Zij heeft daarbij als e-mailadres per abuis [e-mailadres 1] ingevuld in plaats van [e-mailadres 2] .
1.2.
[eiseres] heeft de inschrijving per e-mailbericht aan het ingevulde e-mailadres twee maal bevestigd.
1.3.
Op 13 augustus 2024 heeft [eiseres] bij e-mailbericht aan het ingevulde e-mailadres een factuur gestuurd ten bedrage van € 350,-.
1.4.
De dochter van [gedaagde] is niet verschenen op het ponykamp en de factuur is niet betaald.
Geschil
2. [eiseres] vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 350,-, vermeerderd met rente en (buiten)gerechtelijke proceskosten.
3. [eiseres] stelt daartoe dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat [gedaagde] daarom gehouden is het overeengekomen bedrag te betalen.
4. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.
Beoordeling
5. [eiseres] is een handelaar en [gedaagde] is een consument, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of [eiseres] heeft voldaan aan de informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
6. Nu [gedaagde] haar dochter heeft ingeschreven via een inschrijfformulier op de website van [eiseres] wordt geconcludeerd dat gebruik is gemaakt van een georganiseerd systeem voor dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van handelaar en consument, waarbij tot en met het moment van het sluiten van een overeenkomst uitsluitend gebruik is gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand. Gevolg daarvan is dat [eiseres] moet voldoen aan de informatieplichten die gelden voor een overeenkomst op afstand. Zij had om de kantonrechter in staat te stellen ambtshalve te toetsen dan ook printscreens van dit bestelproces bij dagvaarding moeten overleggen. Dat heeft zij niet gedaan.
7. Ter zitting heeft [naam] echter uitleg gegeven over het bestelproces. Desgevraagd heeft hij verklaard dat dit bestelproces wordt afgesloten met op de bestelknop de volgende tekst: “aanmelden”. De inschrijving is tweemaal bevestigd op het ingevulde e-mailadres. Omdat dat het ingevulde e-mailadres geen bestaand netwerk is, heeft [eiseres] volgens [naam] geen bericht gekregen dat het bericht niet is aangekomen.
8. Hoewel op basis van de gegeven informatie niet alle informatieplichten kunnen worden getoetst, kan in ieder geval worden vastgesteld dat de bestelknop niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:230v lid 3 BW, nu daarop niet is vermeld dat de aanvaarding van het aanbod een betalingsverplichting inhoudt (zie ECLI:NL:HR:2024:1355). De overeenkomst is daarom vernietigbaar.
9. In haar schriftelijke verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat nu zij geen bevestiging van de inschrijving had gekregen, zij ervan uitging dat de overeenkomst niet tot stand was gekomen. Zij is dan ook van oordeel dat zij niet aan [eiseres] hoeft te betalen. Hieruit wordt afgeleid dat [gedaagde] een beroep wenst te doen op de vernietigingsmogelijkheid van artikel 6:320v lid 3 BW. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom vernietigd. Reeds verrichte prestaties moeten in dat geval ongedaan gemaakt worden. Nu de dochter van [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van het kamp, is het niet redelijk hiervoor een vergoeding toe te kennen. Dat [eiseres] wel een plaats op het kamp voor de dochter had gereserveerd, is daarvoor onvoldoende. Daarbij geldt dat vaststaat dat de bevestiging van de inschrijving niet aan het juiste e-mailadres van [gedaagde] is verstuurd. Dat het mogelijk is om (per abuis) een foutief e-mailadres in het inschrijfproces op de website van [eiseres] in te vullen, dient voor rekening en risico van [eiseres] als handelaar te blijven. De vordering tot betaling wordt dan ook afgewezen.
10. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat uit de (wel) overgelegde bevestigingse-mails volgt dat deze niet alle voorgeschreven essentiële informatie bevatten, zoals de totale prijs en het ontbindingsrecht, waardoor [eiseres] ook (in ieder geval) op die punten haar verplichtingen heeft geschonden, wat ingevolge het sanctiemodel essentiële informatieplichten zou hebben geleid tot afwijzing van het overgrote gedeelte van de vordering.
11. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil nu zij in persoon procedeert en niet ter zitting is verschenen.
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar
uitgesproken op 29 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.