Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:5862
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,972 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer / rolnummer: C/13/764101 / KG ZA 25-97 JB/EvK
Vonnis in kort geding van 11 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres bij dagvaarding van 17 februari 2025,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Yamali te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 25 februari 2025 heeft de moeder de dagvaarding toegelicht. De vader heeft verweer gevoerd. De moeder heeft producties in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren partijen en hun advocaten aanwezig.
1.2.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op 16 juli 2001 gehuwd te Kayseri, Turkije.
2.2.
Uit dit huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over beide kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van 10 november 2022 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze beschikking is ook beslist dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en is een zorgregeling tussen de vader en de kinderen bepaald. Volgens die zorgregeling verblijven de kinderen bij de vader elke week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur.
2.5.
De vader kwam de zorgregeling niet na, reden waarom de moeder een kort geding is gestart. In het eerste kortgedingvonnis van 3 mei 2023 is de vader veroordeeld de beschikking na te komen, waarbij de zorgregeling is gewijzigd:
“5.1. veroordeelt de man tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 10 november 2022, met dien verstande dat de zorgregeling voorlopig (totdat een rechter anders heeft beslist of partijen anders zijn overeengekomen) aldus moet worden uitgevoerd dat de man de minderjarigen elke week op zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij zich heeft,
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 125,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, (…)”
2.6.
Na het vonnis van 3 mei 2023 is de vader de zorgregeling enige tijd nagekomen, maar daarna is hij weer gestopt. Daarom is de moeder een tweede kort geding tot nakoming van de zorgregeling gestart, waarbij is verzocht om de dwangsom te verhogen. In het tweede kortgedingvonnis van 4 juni 2024 is beslist:
“(…) 6.1. veroordeelt de man tot nakoming van het vonnis van 3 mei 2023, inhoudende dat de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elke week op zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de man verblijven,
6.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 300,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 6.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 6.000,00 is bereikt,
6.3.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, (…)”
2.7.
De vader was in de tussentijd een bodemprocedure gestart tot wijziging van de zorgregeling en hij heeft verzocht om een zorgregeling waarbij de kinderen om de week op zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur bij hem verblijven. De moeder heeft hier verweer tegen gevoerd en, via een tegenverzoek, verzocht om een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen elke zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijven. Bij beschikking van 28 augustus 2024 is overwogen en beslist:
“(…) 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de door de man opgevoerde bezwaren er niet toe kunnen leiden dat de kinderen hun vader slechts drie uur in de veertien dagen kunnen zien. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben recht op regelmatig contact met hun vader. Bovendien is het goed voor hun latere ontwikkeling om ook met hun vader een goede band op te bouwen. Het is dan ook aan de man om als hij de kinderen bij zich heeft er voor te zorgen dat hij een goede plek heeft om hen te ontvangen en hij zal hierin creatief moeten zijn en oplossingen moeten bedenken. Wellicht dat de man toch af en toe met de kinderen bij zijn vriendin kan verblijven voor een paar uur of wellicht bij een andere vriend of familielid. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat het de ook de verantwoordelijkheid van de man is om in ieder geval een deel van de opvoeding en zorg van de kinderen op zich te nemen. De door hem verzochte zorgregeling is daarvoor te summier.
(…)
4.5.
De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat hij geen dwangsommen meer is verschuldigd. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
(…)
Dictum
(…)
wijzigt de beschikking van 10 november 2022 aldus:
- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man de voornoemde minderjarigen eenmaal per week op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij zich heeft;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; (…)”
2.8.
De vader is deze zorgregeling enige tijd nagekomen, maar op 24 november 2024 is hij hiermee gestopt. De vader heeft de moeder op 24 november 2024 bericht dat hij niet kon komen omdat hij ziek was. Op 1 december en 8 december 2024 was hij nog steeds ziek en op 15 december 2024 heeft hij gemeld dat het te slecht weer zou zijn waardoor hij de kinderen niet kon ophalen.
Geschil
3.1.
De moeder vordert nakoming van de zorgregeling, waarbij de kinderen elke week op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijven, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per keer dat de vader deze zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 30.000,00.
3.2.
De moeder legt aan haar vordering ten grondslag dat het in het belang van de kinderen is dat zij opgroeien met hun vader en ook tijd met hem doorbrengen. De vader komt nu af en toe de zorgregeling na, maar soms ook plotseling niet meer. Dat is niet in het belang van de kinderen want zij zijn gebaat bij structuur en duidelijkheid. Elke keer als de rechtbank een dwangsom tot nakoming van de zorgregeling had opgelegd, kwam de vader de zorgregeling enige tijd na. Daarom meent de moeder dat een dwangsom een goede prikkel is voor de vader. De dwangsom moet alleen worden verhoogd, zodat de vader de zorgregeling zal blijven naleven.
3.3.
De vader voert verweer. Hij wil de kinderen graag zien, maar het grootste probleem is dat hij geen ruimte heeft om de kinderen mee naar toe te nemen als zij bij hem zijn. Zijn woonruimte is te klein en hij mag zijn kinderen daar van de verhuurder ook niet mee naartoe nemen. In de zomer kon de vader de tijd met de kinderen buiten doorbrengen, maar in de winter is dat lastig. Als het koud is of als het regent kan hij niet van 12.00 tot 18.00 uur met ze buiten blijven.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De bezwaren die de vader nu aanvoert tegen nakoming van de zorgregeling heeft hij destijds ook aangevoerd in de bodemprocedure bij de familierechter. Desondanks is besloten om een zorgregeling te bepalen waarbij de vader elke week zes uur omgang heeft met zijn kinderen (zie 2.7). De vader heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 28 augustus 2024 waarin deze zorgregeling is vastgelegd. De in de beschikking vastgelegde zorgregeling is daarom het uitgangspunt bij de beoordeling. Deze zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij zwaarwegende belangen van de kinderen zich daartegen verzetten. Dit laatste speelt hier niet.
4.2.
De vraag in dit kort geding is of de dwangsommen moeten worden verhoogd.
Een dwangsom kan helpen als prikkel tot nakoming. Hier lijkt dat echter niet (voldoende) te werken, omdat de vader ondanks de dwangsommen de zorgregeling niet nakomt. Bovendien zijn de dwangsommen van het tweede kortgedingvonnis van 4 juni 2024 nog niet volgelopen, het maximumbedrag van € 6.000,00 is nog niet bereikt. De angst van de moeder dat als de verhoging van de dwangsom wordt afgewezen de vader dit als een bevestiging ziet om de zorgregeling niet meer na te komen, is dan ook onterecht, omdat zij op basis van het vorige vonnis dwangsommen kan innen en kan gebruiken als middel om de vader te dwingen tot nakoming van de zorgregeling. Daarom zal de vordering tot verhoging van de dwangsom worden afgewezen. De vader moet echter niet wachten totdat dwangsommen worden geïnd. Hij moet beseffen dat hij rechterlijke uitspraken moet nakomen en hij moet zijn best doen om zijn kinderen elke week volgens de zorgregeling te zien.
4.3.
Daarbij wil de voorzieningenrechter partijen meegeven dat het blijven voeren van procedures en via dwangsommen proberen de vader te dwingen om zijn kinderen te zien, op lange termijn geen duurzame oplossing is. De omgang tussen beide ouders verloopt stroef en er lijkt sprake te zijn van een communicatieprobleem. Volgens de moeder is dat niet zo, maar de indruk is op basis van het dossier en de mondelinge behandeling dat de verhouding tussen de ouders (ernstig) is verstoord. Dat kan ook de kinderen, en de gezondheid van beide ouders, schaden en dat is niet in het belang van de kinderen of van henzelf. De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting gevraagd of zij zouden open staan voor professionele hulp. De vader heeft gezegd hiervoor open te staan en zijn advocaat heeft voorgesteld dat partijen professionele begeleiding gaan zoeken om beter met elkaar te leren communiceren ten behoeve van de kinderen. De moeder ziet daar op dit moment nog niets in, zij heeft meegedeeld dat de vader zich eerst aan de zorgregeling moet houden en dat dit daarna misschien kan worden onderzocht. Partijen wordt aangeraden om professionele begeleiding of mediation te overwegen. Daarbij kan ook het mediationbureau van de rechtbank hulp bieden bij het vinden van een geschikte mediator. Partijen kunnen beter hun tijd en middelen steken in een dergelijk traject dan in het voeren van gerechtelijke procedures.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.
type: EvK
coll: JT