Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:5773
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,391 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2708
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiseres], handelend onder de naam Bagels & Beans Waterlooplein, uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. H. Verhaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie wegens schade als gevolg van de herinrichting van het Waterlooplein. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de herinrichting van het Waterlooplein en de daaropvolgende schade voor eiseres voorzienbaar waren. Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie daarom terecht afgewezen. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 22 september 2020 een verzoek om nadeelcompensatie gedaan. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 3 januari 2022 afgewezen (het primaire besluit). Met het besluit van 29 april 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, en haar gemachtigde en de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. H. van Velsen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 is titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden en daarmee het deel van de Wet nadeelcompensatie (hierna: Wns) en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten dat betrekking heeft op nadeelcompensatie. Uit het in artikel IV van de Wns neergelegd overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft. In dit geval is dat de Algemene Verordening Nadeelcompensatie (hierna AVN).
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Op 13 juni 2012 is eiseres eigenaar geworden van eenmanszaak Bagels & Beans aan het Waterlooplein in Amsterdam.
5.1.
Op 22 september 2020 heeft eiseres een verzoek gedaan om nadeelcompensatie. Eiseres stelt in de maanden oktober 2020 tot en met juni 2021 omzetschade te hebben geleden als gevolg van de herinrichting van het Waterlooplein.
5.2.
Op 17 augustus 2021 heeft de Stedelijke Adviescommissie (hierna: de Adviescommissie) advies uitgebracht en het college geadviseerd het verzoek af te wijzen. Allereerst moet het verzoek volgens de Adviescommissie worden afgewezen wegens voorzienbaarheid van de werkzaamheden en actieve risicoaanvaarding. Eiseres had op de hoogte kunnen zijn van het beleidsvoornemen tot herinrichting van het Waterlooplein door de publicaties van de ‘Bestuursopdracht integrale visie voor de toekomst van het Waterlooplein’ uit 2009 en de beleidsnotitie ‘Waterlooplein 2020: een dame met Amsterdamse allure’, vastgesteld door de deelraad op 20 december 2011. Verder kan het verzoek volgens de Adviescommissie worden afgewezen, omdat de schade niet is ontstaan door een besluit van de gemeente en omdat eiseres in de periode oktober 2020 tot en met juni 2021 geen onevenredige, het normaal maatschappelijk risico overstijgende schade heeft geleden.
5.3.
Met het primaire besluit heeft het college het advies van de Adviescommissie overgenomen en het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
5.4.
Met het bestreden besluit heeft het college – met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie in stand gelaten.
Voorzienbaarheid van de schade
6. Eiseres voert – samengevat – aan dat op het moment van de investering op 13 juni 2012 de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregelen niet zodanig kenbaar en concreet waren, dat hiermee bij de investeringsbeslissing rekening kon worden gehouden. Uit de genoemde stukken blijkt hooguit dat er een voornemen was om ‘iets’ te gaan doen op het Waterlooplein, zonder dat al duidelijk werd aangegeven wat, wanneer en over welke periode. Op basis van deze stukken kon eiseres zich dus geen beeld verschaffen over de aard, de duur, de intensiteit en de mate van overlast van deze werkzaamheden.
6.1.
Artikel 3, eerste lid, onder b, van de AVN bepaalt dat het bestuursorgaan een aanvraag om vergoeding van de schade geheel of gedeeltelijk afwijst, indien de benadeelde van het risico van het ontstaan van de schade op de hoogte was of had kunnen zijn.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak moet de voorzienbaarheid van een schadeveroorzakende overheidsmaatregel beoordeeld worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing voor een redelijk denkend en handelend ondernemer aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij moet rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Dit betekent dat voor het aannemen van voorzienbaarheid niet vereist is dat, op het tijdstip van investering, verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het tijdstip van de investeringsbeslissing de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.
6.3.
De rechtbank oordeelt dat in ieder geval in de beleidsnotitie ‘Waterlooplein 2020: een dame met Amsterdamse allure’ van 20 december 2011 een concreet beleidsvoornemen was neergelegd. Zo staat er bijvoorbeeld op pagina 16 en 17 van de beleidsnotitie: “Om het plein aantrekkelijk te maken moet de bestrating zodanig worden vernieuwd dat voor lange tijd de kwaliteit in stand blijft. Ook buiten de markturen geeft de bestrating het plein een aantrekkelijke uitstraling. Voorzieningen (water, elektra, bevestigingspunten, etc.) voor de marktfunctie en activiteiten buiten de markturen worden in de bestrating geïntegreerd”. Op pagina 22 van de beleidsnotitie staat “Bij een nieuwe marktindeling en/of pleinontwerp moet er aandacht zijn voor in de bestrating geïntegreerde aansluitingen.” Uit dit document komt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk naar voren dat binnen afzienbare tijd een grote herinrichting van het Waterlooplein moet plaatsvinden. Dit betekent dat eiseres er ten tijde van de investeringsbeslissing op 13 juni 2012 rekening mee had moeten houden dat de situatie ter plaatse in nadelige zin voor de exploitatie van het bedrijf zou veranderen. Eiseres heeft aangevoerd dat de relevante beleidstukken onvoldoende vindbaar waren. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Beide documenten waren en zijn te vinden op centrum.raadsinformatie.nl en daarmee voor een ieder toegankelijk. Het is niet gebleken dat slechts met een onevenredige inspanning de informatie toegankelijk was. Van eiseres mag worden verwacht dat zij zich als ondernemer op de hoogte stelt van concrete beleidsvoornemens van de gemeente die voor haar relevant zijn. Bovendien geldt nog dat eiseres, zoals zij ook tijdens de hoorzitting heeft verklaard, tijdens een bijeenkomst over de herinrichting van het Waterlooplein voorafgaande aan de investeringsbeslissing duidelijk was geworden dat er iets (de rechtbank begrijpt: aan de inrichting van het plein) zou gaan gebeuren.
6.4.
De rechtbank oordeelt verder dat in dit geval ook niet kan worden gezegd dat eiseres de aard, ernst, omvang en duur van de hinder niet in volle omvang heeft kunnen voorzien. Uit de hierboven aangehaalde beleidsnotitie volgt dat het om een grootschalig project ging inhoudende een ingrijpende herinrichting van het Waterlooplein, zoals het integreren van voorzieningen in vernieuwde bestrating.
6.5.
Gelet op het voorgaande heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht afgewezen wegens voorzienbaarheid van de herinrichtingswerkzaamheden op het tijdstip van de investeringsbeslissing. De rechtbank komt om die reden niet meer toe aan een bespreking van de beroepsgronden tegen de overige weigeringsgronden.
Overschrijding redelijke termijn
7. Eiseres heeft in haar beroepschrift, en nader toegelicht ter zitting, om een immateriële schadevergoeding verzocht in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Voor elk halfjaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
Conclusie
8. Het college heeft het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie terecht afgewezen.
8.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
8.2.
Omdat eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft zij ook recht op een vergoeding van haar proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 226,75 (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,25) voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank acht een wegingsfactor 0,25 in dit geval passend, omdat de proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot het betalen van € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt het college tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2403.
Op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de AVN
op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de AVN in samenhang met artikel 10, eerste lid, van de AVN.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van de AVN.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2121.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:229.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.