Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:5761
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,604 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/102697-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 5 augustus 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 februari 2024 door the District Court in Ostrava, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Tsjechië) op 23 januari 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 juli 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. L.J. Woltring, beiden advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de District Court in Ostrava van 13 augustus 2020, file No 71 T 52/2020.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 280 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft geen dagvaarding ontvangen, niet is aangegeven op welk adres of op welke wijze de betekening heeft plaatsgevonden en hij had geen toegevoegde advocaat.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen beletsel vormt voor de overlevering.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In onderdeel d) van het EAB staat namelijk dat de opgeëiste persoon op 18 juli 2020 in persoon is gedagvaard en daarbij is geïnformeerd over de zittingsdatum en -plaats en dat er een beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de dagvaarding heeft ontvangen, is onvoldoende om de juistheid van deze informatie in het EAB in twijfel te trekken.
4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5Overige verweren
De raadsman heeft aangevoerd dat de data en de nummers van de beslissingen in het EAB en in het A-formulier niet met elkaar overeenkomen terwijl dit eenduidig moet zijn. De raadsman heeft verzocht om hierover duidelijkheid te vragen.
De rechtbank verwerpt het betoog van de raadsman. Het EAB vormt de grondslag van de procedure. In de enkele omstandigheid dat de data en de nummers van de beslissingen in het A-formulier niet (geheel) overeenkomen met de data en nummers in het EAB ziet de rechtbank geen aanleiding om aanvullende informatie op te vragen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Ostrava (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 augustus 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.