Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-31
ECLI:NL:RBAMS:2025:5701
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,937 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-138997-25
Datum uitspraak: 31 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 23 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2025 door het Amtsgericht Kassel, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juli 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. W.B.O. van Soest, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel voor voorlopige hechtenis uitgevaardigd door het Amtsgericht Kassel van 4 maart 2025 met dossiernummer 1650 Js 24916/23 (dossiernr. GStA 7 ER 85/23).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe bepleit dat het EAB niet genoegzaam is. Uit onderdeel e) van het EAB blijkt onvoldoende op welke wijze de opgeëiste persoon concreet betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten. De koppeling tussen de opgeëiste persoon en de verdenking ontbreekt.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is het EAB genoegzaam. Uit de feitenomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon waardoor voldoende duidelijk is geworden voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. Het specialiteitsbeginsel is daarmee ook gewaarborgd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang.
Uit de feitenomschrijving onder e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij deel uitmaakt van een zeer professionele georganiseerde Nederlandse plofkraakbende. Volgens de verdenking zou de opgeëiste persoon samen met anderen op 3 juni 2022 in Borken met behulp van explosieven een geldautomaat tot ontploffing hebben gebracht en hebben gepoogd om geld uit die geldautomaat weg te nemen. Daarnaast zou de opgeëiste persoon samen met anderen op 16 juni 2023 in Vellmar met behulp van explosieven een geldautomaat tot ontploffing hebben gebracht, waarbij een fors geldbedrag is weggenomen. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon ten aanzien van deze feiten als dader wordt aangemerkt.
Op grond van deze feitenomschrijving is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon bij deze feiten betrokken zou zijn geweest, te weten als dader. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 10 juli 2025 is daarom door de Staatsanwältin, Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main ten behoeve van de opgeëiste persoon een terugkeergarantie afgegeven. De opgeëiste persoon is niet op zitting verschenen. Daarnaast heeft de raadsman medegedeeld dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of de opgeëiste persoon een beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Ook anderszins komt niet uit het dossier naar voren dat de opgeëiste persoon een beroep wenst te doen op voornoemde garantie. De rechtbank zal daarom artikel 6, eerste lid, OLW niet toepassen en de overlevering niet afhankelijk maken van de terugkeergarantie.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Kassel, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M. Westerman en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.