Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:5529
Strafrecht; Europees strafrecht
Beschikking
1,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.408277.24
Afwijzing verzoek aanhouding beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering (artikel 36, eerste lid, OLW).
Op 12 maart 2025 heeft de opgeëiste persoon
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
via zijn raadsvrouw verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van zijn feitelijke overlevering aan te houden.
Raadsvrouw: mr. P.M. Langereis advocaat te Zoetermeer.
Procedure
1. Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon toegestaan aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de volgende vrijheidsstraf:
- een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, waarvan volgens het EAB nog 11 maanden en 29 dagen resteren.
2. In Nederland wordt de opgeëiste persoon vervolgd voor het plegen van het rijden onder invloed van drugs (96-077919-23), tweemaal diefstal met braak
(22-0024510-24) en diefstal door middel van een valse sleutel (09-040879-24). Op 26 mei 2025 is een zittingsdatum gepland in de zaak 09-040879-24. In de andere twee zaken is nog geen datum bekend waarop de zaak ter terechtzitting zal worden behandeld.
3. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering aan te houden (de rechtbank zal hierna spreken over: uitstel van de feitelijke overlevering), omdat de feitelijke overlevering door de openstaande strafzaken niet binnen de termijn van tien dagen na de uitspraak van de rechtbank kan plaatshebben.
4. De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat, hoewel verzocht door de opgeëiste persoon, de feitelijke overlevering niet moet worden uitgesteld omdat de strafzaken in Nederland van geringe ernst zijn en er grotendeels nog geen datum bekend is. Subsidiair is door de officier van justitie gevorderd dat als de rechtbank beslist dat de feitelijke overlevering wordt uitgesteld, zij tevens op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, OLW de vrijheidsbeneming met 30 dagen moet verlengen.
5. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon geen afstand wenst te doen van zijn recht op aanwezigheid in de Nederlandse strafvervolgingsprocedure en de feitelijke overlevering daarom moet worden uitgesteld. Het aanwezigheidsrecht is belangrijk en de opgeëiste persoon heeft het recht om deze zaken bij te wonen. Het is in andere zaken van Poolse opgeëiste personen ook wel eens mis gegaan. Onder verwijzing naar Europese jurisprudentie moet het aanwezigheidsrecht prevaleren boven het belang van Polen om de straf te executeren.
Beoordeling
6. De rechtbank ziet, na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, geen aanleiding om de feitelijke overlevering uit te stellen vanwege de lopende strafvervolging in Nederland. Ondanks dat het aanwezigheidsrecht een belangrijk recht is, is het niet absoluut en kan er een belangenafweging plaatsvinden. De rechtbank weegt mee dat de zaken met parketnummer 96-077919-23 en 22-002451-24 van zeer geringe ernst zijn en er ook nog geen datum bekend is van deze zaken. De laatstgenoemde zaak is in eerste aanleg afgerond en het hoger beroep loopt. Bovendien heeft de opgeëiste persoon een advocaat in deze zaken. De zaak met het parketnummer 09-040879-24 staat na meerdere keren uitstel in mei 2025 op zitting, maar daarvan geeft de officier van justitie aan dat zal worden gevraagd om geen straf of maatregel op te leggen aan de opgeëiste persoon en bovendien heeft hij ook in deze zaak een advocaat die hem kan verdedigen. Ook in die zaak gaat het om relatief lichte feiten. Alles afwegende prevaleert het belang om de Poolse straf te executeren boven het aanwezigheidsrecht.
7. Het verzoek tot uitstel van de feitelijke overlevering wordt daarom afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
WIJST AF verzoek ex artikel 36, eerste lid, OLW.
Deze beslissing is genomen op 19 maart 2025 door:
mr. E. Biçer, rechter,
in tegenwoordigheid van M.C.G. Kroon, griffier.