Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:5388
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,555 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/768236 / KG ZA 25-308 NB/JT
Vonnis in kort geding van 28 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser bij dagvaarding van 30 april 2025,
advocaten mr. M.A. Hupkes en mr. A.R.S.P. Lachmansingh te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUNQ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaten mr. G.J.P. Molkenboer en mr. K. Poppe te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en Bunq worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 mei 2025 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Bunq heeft verweer gevoerd. [eiser] heeft producties ingediend. Beide partijen hebben een pleitnota ingediend. Vonnis is (aanvankelijk) bepaald op 29 mei 2025.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- aan de kant van [eiser] : [eiser] , mr. Hupkes en mr. Lachmansingh;
- aan de kant van Bunq: [naam 1] (legal officer) met mr. Molkenboer en mr. Poppe.
1.3.
Op 16 mei 2025 heeft [eiser] een nadere productie in het geding gebracht. Deze zal worden toegelaten tot het dossier, omdat dit een beknopte e-mail betreft waarvan de inhoud reeds tijdens de mondelinge behandeling is kenbaar gemaakt door [eiser] en Bunq door de indiening niet in haar processuele belangen is geschaad.
1.4.
Op 22 mei 2025 is aan partijen bericht dat dit vonnis op 28 mei 2025 wordt gewezen.
Feiten
2.1.
[eiser] is in de periode van 18 januari 2022 tot en met 15 februari 2023 slachtoffer geworden van fraude waarbij € 51.500,00 is ontvreemd en waarbij gebruik is gemaakt van een Nederlandse bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] die werd aangehouden bij Bunq.
2.2.
Op 11 maart 2023 heeft [eiser] aangifte van oplichting / fraude (cybercrime) gedaan bij de politie.
2.3.
Bij e-mail van 11 september 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan Bunq in verband met de fraude verzocht om de NAW-gegevens van de rekeninghouder van nummer [rekeningnummer] te vertrekken, alsmede diens bankafschriften over de periode van 1 november 2022 tot en met 1 april 2023.
2.4.
Bij e-mail van 11 september 2023 heeft Bunq aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de bankrekening nummer [rekeningnummer] op naam van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) staat en is tevens het adres van [naam 2] te [woonplaats 2] (Duitsland) meegedeeld. In die e-mail is voorts meegedeeld dat de bankafschriften niet worden toegestuurd.
2.5.
Bij e-mail van 13 september 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan Bunq verzocht om de geboortedatum van [naam 2] te vertrekken. Bij e-mail van 14 september 2023 heeft Bunq aan de advocaat van [eiser] de geboortedatum van [naam 2] meegedeeld.
2.6.
Bij e-mail van 26 september 2023 heeft Bunq aan de advocaat van [eiser] geschreven dat en toegelicht waarom zij niet zal overgaan tot het verstrekken van de verzochte bankafschriften van [naam 2] .
2.7.
Op enig moment daarna heeft Bunq alsnog een transactieoverzicht van [naam 2] over de periode van 25 november 2022 tot en met 9 januari 2023 verstrekt. Daaruit heeft [eiser] afgeleid dat de van hem ontvreemde gelden zijn doorgesluisd naar een Poolse bankrekening op naam van [naam 2] en dat er in de periode waar het transactieoverzicht op ziet regelmatig betalingen voor dagelijkse uitgaven zijn verricht in Polen.
2.8.
Bij vonnis van 17 juli 2024 van rechtbank Limburg, locatie Maastricht, is [naam 2] bij verstek veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 51.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast is [naam 2] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.9.
[eiser] heeft op enig moment het vonnis van 17 juli 2024 (via zijn Poolse advocaat) aan een Poolse deurwaarder ter executie aangeboden, teneinde beslag te leggen op de Poolse bankrekening op naam van [naam 2] .
2.10.
Bij e-mail van 11 april 2025 heeft de Poolse advocaat van [eiser] het volgende aan de Nederlandse advocaat van [eiser] geschreven:“We indicate the IBAN number to the bailiff and on the basis of this information the bailiff has tried to seizure the bank account. According to the provisions of the Polish law there is required the identification number of the debtor. The bailiff tried to seizure the bank account without additional personal data by the bank refuse seizure.
The bank account of the debtor is held by one of the largest banks in Poland and the bank verify
debtors' data in detail (to avoid the situation that there are two people with the same name and
surname). Due to above the bank need additional data of the debtor to make sure it is the same person.
If you do not get additional information by Tuesday, we suggest to file a motion to suspend the executive proceedings and as soon as I receive additional data of the debtor, we will send the motion to resume and continue the proceeding.”
2.11.
Bij e-mail van 14 april 2025 heeft de Poolse advocaat van [eiser] het volgende aan de Nederlandse advocaat van [eiser] geschreven:“The obligation to provide the data necessary to identify the debtor, in particular the debtor's PESEL, NIP or REGON number arises from the article 760 (2) of the Polish Code of Civil Procedure.
According to the above mentioned provision the enforcement authority, when seizing the debtor's
property or requesting information referred to in article 761 § 11 (requesting information about the debtor by the bailiff from other public authorities), shall be obliged to provide the PESEL, NIP or REGON number of the debtor to whom this action applies, if these numbers have been assigned to the debtor, and if necessary, other data necessary to identify the debtor.
Furthermore please find enclosed the letter from the bailiff in which the bailiff asked us for the additional data and also indicate that the bank was required such additional data of the debtor.
Do you at least have the debtor's date of birth? Then we would try ask the bailiff to seize the account
based on the date of birth of the debtor.”
2.12.
Bij e-mail van 17 april 2025 heeft de advocaat van Bunq het volgende aan de advocaat van [eiser] geschreven:“Naar ik begrijp heeft cliënte de NAW-gegevens over de klant in kwestie reeds verstrekt. Tot meer is bunq niet gehouden. Belangrijker: het is haar niet toegestaan het betrokken (persoons)gegeven te
verstrekken.”
2.13.
Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft de Poolse advocaat van [eiser] het volgende aan de Nederlandse advocaat van [eiser] geschreven:“According to our arrangements with the bailiff to continue the enforcement proceeding we need the personal number of Mr [naam 2] . Please be informed that the date of birth will be not enough to continue the enforcement proceeding and seizure the bank account.”
Geschil
3.1.
[eiser] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. Bunq te veroordelen om aan [eiser] te verstrekken:- een digitale kopie van het legitimatiebewijs van de rekeninghouder van rekeningnummer [rekeningnummer] ; en- het fiscaal en/of persoonsnummer van de rekeninghouder van rekeningnummer [rekeningnummer] ;
II. alles op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. Bunq te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. [eiser] vordert primair op grond van artikel 197 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), artikel 204 Rv jo. de artikelen 196 Rv en 195a Rv, dan wel subsidiair op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) de verstrekking van identificerende gegevens van [naam 2] . De weigering van Bunq om de verzochte gegevens te verstrekken heeft ertoe geleid dat de executie in Polen van het vonnis van 17 juli 2024 tijdelijk is geschorst. De Poolse bank is niet bereid om het beslag uit te voeren zonder de gevraagde informatie, en wordt daarin gesteund door de Poolse wet. De achtergrond zal zijn dat elk misverstand over de identiteit van de beslagene wordt uitgesloten. Er kan nu geen derdenbeslag gelegd worden op de Poolse bankrekening op naam van [naam 2] , zodat [eiser] feitelijk wordt belemmerd in zijn recht om het bedrag dat hem is ontnomen, terug te vorderen door middel van executie op het enige bekende actief, de Poolse bankrekening. Het verkrijgen van deze gegevens is voor [eiser] dus van cruciaal belang. Bunq is de enige bij [eiser] bekende partij die beschikt over de vereiste gegevens, aangezien Bunq deze verzamelt in het kader van haar KYC-verplichtingen. [eiser] heeft daarom geen andere mogelijkheid dan Bunq te verzoeken om de benodigde informatie te verstrekken, aldus [eiser] .
3.3.
Bunq voert daartegen – samengevat – het volgende verweer. Bunq beschikt over de door de Poolse bank verzochte nadere informatie, te weten een Duits identificatiedocument en het daaraan gekoppelde Duitse identificatienummer. Er zijn echter procedurele en gewichtige redenen die zich tegen de verstrekking daarvan verzetten. Een verzoek op grond van artikel 195a Rv kan niet ex parte worden toegepast. Nu [naam 2] niet is gedagvaard is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Bovendien kan een verzoek op grond van artikel 195a Rv (een voorlopige bewijsverrichting) niet worden ingezet nadat de procedure al is afgrond. [eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke Poolse regels de executie van het vonnis zouden blokkeren en waarom de door hem verlangde persoonsgegevens onmisbaar zijn. Dat de gegevens noodzakelijk zijn voor de executie staat niet vast. Uit het Poolse wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt dat een deurwaarder die beslag legt slechts verplicht is een PESEL-, NIP- of REGON-nummer van de schuldenaar te vermelden indien dat nummer is toegekend en dat bij gebreke daarvan andere gegevens moeten worden verstrekt die noodzakelijk zijn voor identificatie. De Poolse deurwaarder beschikt al over die andere gegevens, namelijk de naam, het woonadres en de geboortedatum van [naam 2] . Het dagvaarden van Bunq is prematuur. [eiser] had de Poolse bank moeten confronteren met de onredelijkheid van haar standpunt, wat hij niet heeft gedaan. [eiser] maakt misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 196 lid 2 sub d Rv. Het verzoek om een kopie van het identiteitsbewijs van [naam 2] valt buiten het doel en kader van de Wwft-verplichtingen van Bunq. Verstrekking van het gevraagde identiteitsdocument zou in strijd zijn met zowel artikel 5 lid 1 onder b als artikel 6 lid 4 Algemene Verordening Gegevensbescherming (Vo (EU) 2016/679) (hierna: AVG) en met artikel 34 Wwft. Bunq is derhalve niet bevoegd om de kopie van het identificatiedocument van [naam 2] aan [eiser] te verstrekken. De gegevens zijn bovendien nog enkel onder Bunq binnen het bestek van artikel 33 Wwft, nu [naam 2] geen actieve relatie meer met Bunq heeft. De door [eiser] aangehaalde uitspraken kunnen hem niet baten nu die zaken betrekking hadden op NAW-gegevens, maar niet op verstrekking van een kopie van een identiteitsdocument. Bunq heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . Bunq heeft geen zorg- of rechtsplicht geschonden. Zij houdt zich aan dwingendrechtelijke regels die zich tegen de verstrekking van de gegevens verzetten. De vorderingen dienen afgewezen te worden met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Bij een onverhoopte toewijzing van de vorderingen dienen de proceskosten te worden gecompenseerd, aldus Bunq.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De door [eiser] ingestelde vordering kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van [eiser] zal volgen, bijvoorbeeld als Bunq een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van [eiser] niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.
4.2.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde verstrekking van gegevens, nu de executie van het vonnis van 17 juli 2024 stil ligt en het risico bestaat dat executie in Polen door tijdverloop feitelijk onmogelijk wordt, waardoor de kans op tenuitvoerlegging van het vonnis verloren gaat. Van [eiser] kan niet worden gevergd dat hij de uitslag van een bodemprocedure afwacht.
4.3.
Volgens Bunq kan artikel 195a jo. 196 en 197 Rv niet de grondslag voor de vordering van [eiser] vormen, nu [naam 2] in dit kort geding niet is gedagvaard en bovendien de procedure tussen [eiser] en [naam 2] reeds is afgerond. Wat daar ook van zij, in het midden kan blijven of de vordering van [eiser] toewijsbaar is op grond van de door hem gestelde primaire grondslag (artikel 195a jo. 196 en 197 Rv). Voorshands is immers voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen op grond van de door hem gestelde subsidiaire grondslag artikel 6:162 BW. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Bunq onrechtmatig handelt jegens [eiser] door te weigeren de gevraagde gegevens te verstrekken. Daartoe is het volgende redengevend.
4.4.
Door geen medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn om een civiele veroordeling (het vonnis van 17 juli 2024) ten uitvoer te kunnen leggen, handelt Bunq in strijd met de door haar in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid c.q. bijzondere zorgplicht jegens derden. Deze onrechtmatige gedraging is toerekenbaar aan Bunq, omdat zij bewust nalaat een bijdrage te leveren aan het verhaal van de door [eiser] geleden schade, terwijl zij weet dat zij over informatie beschikt die kennelijk noodzakelijk is om het vonnis in Polen ten uitvoer te kunnen leggen. Door de noodzakelijke gegevens niet te verstrekken is [eiser] niet in staat om het vonnis in Polen ten uitvoer te leggen. Daardoor lijdt hij schade die erin bestaat dat hij zijn toegewezen vordering niet kan verhalen en mogelijk extra kosten zal moeten maken door extra procedures te voeren. Die schade kan geheel of gedeeltelijk worden voorkomen indien de vordering in dit kort geding zal worden toegewezen, omdat [eiser] de executie dan kan vervolgen. Er is sprake van een causaal verband tussen de weigering van Bunq en de schade van [eiser] . De geschonden norm strekt ten slotte ter bescherming van de belangen van [eiser] . De maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm waar het hier om gaat dient immers zoveel mogelijk te waarborgen dat slachtoffers van fraude de hen toegewezen schadevergoeding ook kunnen verhalen op degene die de schade veroorzaakt heeft.
4.5.
Het voorgaande zou slechts anders zijn indien Bunq zich met succes kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Voor zover Bunq meent dat die rechtvaardigingsgrond erin bestaat dat verstrekking van de gevraagde gegevens in strijd is met de AVG wordt zij daarin gelet op het navolgende niet gevolgd.
4.5.1.
Bunq heeft destijds een kopie van het identiteitsbewijs van [naam 2] opgeslagen in haar systeem en daarmee ‘verwerkt’ als bedoeld in artikel 4 lid 2 AVG. Die verwerking was rechtmatig, omdat deze voldeed aan de in artikel 6 lid 1 sub c AVG genoemde voorwaarde, namelijk dat de verwerking noodzakelijk was om te voldoen aan een wettelijke plicht, te weten om op grond van de Wwft haar client te identificeren ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering. Gelet op artikel 5 lid 1 sub b AVG mag Bunq de voor dat doel verzamelde persoonsgegevens vervolgens in beginsel niet verder op een met dat doel onverenigbare wijze verwerken.
4.5.2.
Indien Bunq de in dit kort geding gevorderde gegevens verstrekt is sprake van verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 lid 2 AVG. Artikel 6 lid 1 van de AVG bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien en voor zover aan ten minste een van de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. De vraag of de verwerking van persoonsgegevens (de verstrekking van de gevorderde gegevens) rechtmatig is, moet (zoals [eiser] terecht heeft gesteld) worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van artikel 6 lid 1, aanhef en sub f AVG. Daarin is bepaald dat de verwerking noodzakelijk moet zijn voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, en de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, niet zwaarder mogen wegen dan die belangen.
4.5.3.
Getoetst moet dus worden of [eiser] als derde aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gerechtvaardigde belangen (in dit geval om zijn rechten als slachtoffer van fraude kunnen effectueren) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van [naam 2] als betrokkene (in dit geval de bescherming van zijn persoonsgegevens). Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden. Bij de verstrekking van de gegevens moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene ( [naam 2] ) niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).
4.5.4.
[eiser] beschikt over een executoriale titel (het vonnis van 17 juli 2024) en heeft geen andere reële mogelijkheid om dat vonnis ten uitvoer te leggen dan door beslaglegging, waarvoor verstrekking van een kopie van de gevorderde persoonsgegevens kennelijk vereist is. De verwerking van gegevens is dus noodzakelijk. De bescherming van persoonsgegevens strekt er niet toe om verduistering van gelden af te kunnen schermen van civielrechtelijke aansprakelijkheid en verhaalsmogelijkheden. Het gerechtvaardigd belang van [eiser] om zijn rechten als slachtoffer van fraude te kunnen effectueren weegt dan ook zwaarder dan het belang van [naam 2] bij bescherming van zijn persoonsgegevens. [eiser] stelt terecht dat het recht om een vonnis af te dwingen illusoir zou worden indien Bunq zich zou kunnen onttrekken aan haar medewerkingsplicht door te verwijzen naar de AVG. In dit geval is voorts voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel. Er is sprake geweest van een omvangrijke fraude en een fraudeur ( [naam 2] ) die zich aan verhaal onttrekt. Aan het subsidiariteitsbeginsel is gelet op het volgende eveneens voldaan. De Poolse advocaat heeft immers bevestigd dat het persoonlijke nummer van [naam 2] nodig is om beslag te kunnen leggen en dat zijn geboortedatum niet volstaat. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij niet verder komt in Polen, wat onvoldoende gemotiveerd is weersproken door Bunq. Volgens Bunq moeten er op grond van de Poolse wet, bij gebreke van een PESEL-, NIP- of REGON-nummer van de schuldenaar, andere gegevens worden verstrekt die noodzakelijk zijn voor identificatie. Bunq voert verder aan dat de Poolse deurwaarder al beschikt over die andere gegevens, namelijk de naam, het woonadres en de geboortedatum van [naam 2] en dat daarom de dagvaarding in dit kort geding prematuur is. Bunq heeft echter nagelaten om aannemelijk te maken dat het met enkel die gegevens wel degelijk mogelijk is om op een eenvoudige wijze toch beslag te kunnen leggen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt Bunq om binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:- een digitale kopie van het legitimatiebewijs van de rekeninghouder van rekeningnummer [rekeningnummer] ; en- het fiscaal en/of persoonsnummer van de rekeninghouder van rekeningnummer [rekeningnummer] ;
5.2.
veroordeelt Bunq in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.760,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien dit vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Bunq in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
type: JT
coll: BB