Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:5269
Strafrecht; Europees strafrecht
Raadkamer
804 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Internationale rechtshulpkamer
Parketnummer : 13-080448-25
Afwijzing verzoek aanhouding beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering (artikel 36, eerste lid, OLW)
Op 29 april 2025 heeft de opgeëiste persoon
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
gedetineerd uit andere hoofde in [detentie-instelling] ,
via zijn raadsman verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van zijn feitelijke overlevering aan te houden.
Raadsman mr. A.M.V. Bandhoe.
Procedure
1. Bij uitspraak van 13 mei 2025 heeft de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon toegestaan aan Polen voor de tenuitvoerlegging van de volgende vrijheidsstraf:
- een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, waarvan volgens het EAB nog 7 maanden en 18 dagen resteren.
2. In Nederland is de opgeëiste persoon door de politierechter in de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 januari 2025 onder andere ter zake van diefstal in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. De opgeëiste persoon heeft hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling. Er is nog geen datum bekend waarop het hoger beroep zal worden behandeld.
3. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering aan te houden, omdat de feitelijke overlevering door (de openstaande strafzaak met parketnummer 09-066882-24) niet binnen de termijn van tien dagen na de uitspraak van de rechtbank kan plaatshebben.
4. De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat, hoewel verzocht door de opgeëiste persoon, de feitelijke overlevering niet moet worden uitgesteld.
5. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon geen afstand wenst te doen van zijn recht op aanwezigheid in de Nederlandse strafvervolgingsprocedure en de feitelijke overlevering daarom moet worden uitgesteld.
Beoordeling
6. De rechtbank ziet, na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, geen aanleiding om de feitelijke overlevering uit te stellen vanwege de lopende strafvervolging in Nederland. De rechtbank weegt daarbij mee dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf in de Nederlandse strafzaak niet in verhouding staat tot de duur van het gedeelte van de in Polen opgelegde gevangenisstraf dat de opgeëiste persoon nog moet uitzitten. En mede gelet op het feit dat nog geen zittingsdatum in hoger beroep bekend is. Het verzoek tot overlevering weegt dan zwaarder dan het belang van de opgeëiste persoon.
7. Het verzoek tot uitstel van de feitelijke overlevering wordt daarom afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
WIJST AF het verzoek ex artikel 36, derde lid, OLW.
Deze beslissing is genomen op 21 mei 2025 door
mr. J.P.W. Helmonds, rechter,
en in tegenwoordigheid van M. van Veen, griffier.