Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:5241
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,979 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/766848 / FA RK 25-2307 (AL/SR)
Beschikking van 10 juli 2025 betreffende gezamenlijk gezag en verzoek vaststellen omgangsregeling
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. E.E. Tiebie te Heerhugowaard,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoek van de vader, ingekomen op 25 maart 2025;
het verweerschrift van de moeder, ingekomen op 16 juni 2025;
het F9-formulier van 23 mei 2025 van de vader, met bijlage.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2025.
Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam 1] namens de Raad.
1.3.
Van zowel de zijde van de vader als van de moeder is op de zitting een pleitnotitie overgelegd en voorgehouden.
1.4.
De minderjarige [minderjarige] heeft op 24 juni 2025 in een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt, op zijn verzoek in het bijzijn van mw. [naam 2] , zijn therapeut/vertrouwenspersoon.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Uit deze relatie is het volgende minderjarige kind geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
2.3.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.4.
De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De vader verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
te bepalen dat de vader tezamen met de moeder zal worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] één keer in de week twee uur bij de vader zal verblijven dan wel te bepalen dat er een middels hulpverlening, zoals bijvoorbeeld een BOR-traject wordt toegewerkt naar een contactregeling.
3.2.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
4.1.
De vader wil graag mede met het gezag over [minderjarige] worden belast. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de vader gerefereerd aan het uitgangspunt van de wetgever over het gelijkwaardige ouderschap. De vader voelt zich nu buitenspel gezet omdat er onvoldoende gehoor wordt gegeven aan zijn wensen. De moeder is als gezaghebbende ouder altijd de doorslaggevende factor, terwijl de ouders dat samen dienen te zijn. Volgens de vader is geen sprake van een van de uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag.
4.2.
De moeder voert verweer. Volgens de moeder is het gezamenlijk uitoefenen van het gezag op dit moment te vroeg en niet in het belang van [minderjarige] . De ouders verschillen van mening over de behandeling van [minderjarige] bij Levvel. Gezamenlijk gezag van de ouders zal daarom leiden tot discussies tussen de ouders over de wijze waarop de behandeling van [minderjarige] moet worden voortgezet en de wijze waarop het contact tussen [minderjarige] en de vader moet worden hersteld. Om onrust voor [minderjarige] te voorkomen, dient dan ook het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag te worden afgewezen.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.4.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. De rechtbank acht de ouders hiertoe niet in staat. Uit de stukken en uit dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] een jongen is die veel aandacht en specialistische begeleiding en verzorging nodig heeft in verband met zijn autisme. Uit de door de moeder ingebrachte stukken van Levvel blijkt evenwel dat het met therapie nu steeds beter gaat met [minderjarige] en dat hij het ook goed doet op zijn (online) school. Hoewel de omgang tussen [minderjarige] en de vader voorheen wel in onderling overleg van de grond is gekomen, zijn de ouders niet in staat gebleken om op een constructieve wijze met elkaar te overleggen over [minderjarige] ; zo verschillen zij van mening over de behandeling van [minderjarige] en over zijn schoolgang. De rechtbank voorziet dat een gezamenlijk gezag tot problemen zal leiden omdat de ouders niet in staat zijn in gezamenlijk overleg beslissingen te nemen over [minderjarige] . Dit zal tot veel onrust leiden. Dat is niet in het belang van een kind, en dat geldt des te meer voor een kind als [minderjarige] , die vanwege zijn autisme baat heeft bij rust, duidelijkheid en structuur. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afwijzen.
4.5.
Omdat de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast blijft, wordt in het vervolg van de beschikking gesproken over de omgang(sregeling).
Omgang
4.6.
De vader voert ter onderbouwing van zijn verzoek – verkort weergegeven – aan dat het niet in het belang van [minderjarige] is als de situatie zo blijft doorgaan. Het contact tussen [minderjarige] en de vader dient te worden hersteld. De vader wil daar ook graag (specialistische) hulp bij. De vader begrijpt ook dat het contact rustig zou moeten worden opgebouwd.
4.7.
De moeder verzet zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling zoals door de vader wordt verzocht. Volgens de moeder heeft het geen zin om [minderjarige] te dwingen tot contact, ook mede gelet op zijn leeftijd. De moeder stelt dat zij voor [minderjarige] een strak programma aan moet houden, in overleg met Levvel. De moeder verdiept zich erin hoe het beste met [minderjarige] kan worden omgegaan en wat ervoor nodig is om omgang met de vader te bewerkstelligen. Hierbij is het van belang dat het tempo van [minderjarige] wordt aangehouden en zijn grenzen worden gerespecteerd.
4.8.
Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staan. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het in beginsel van belang is dat [minderjarige] contact heeft met beide ouders en dus ook met de vader. [minderjarige] heeft echter in het gesprek met de rechter aangegeven dat hij geen omgangsregeling met zijn vader wil, omdat hij zijn vader nu niet wil zien. [minderjarige] was daar heel duidelijk over. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] , risicovol is om een structurele contactregeling tussen hem en de vader vast te stellen terwijl [minderjarige] dat zelf niet wil. De rechtbank wil voorkomen dat [minderjarige] zich daartegen zal verzetten met als gevolg dat vader en [minderjarige] nog meer van elkaar verwijderd raken. Het afdwingen van omgang is bovendien schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
De rechtbank zal de wens van [minderjarige] daarom respecteren en hem de ruimte geven. Daarbij volgt de rechtbank ook het advies van de Raad op de zitting om de wens van [minderjarige] niet te negeren. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling dan ook afwijzen.
Dat betekent niet dat de rechtbank geen oog heeft voor het leed van vader. Vader wil erg graag contact met zijn zoon en wil er voor zijn zoon zijn. Dat een omgangsregeling nu niet in het belang is van [minderjarige] , doet niets af aan de liefde die vader voor [minderjarige] heeft. De rechtbank hoopt dat vader, ondanks de afwijzing van zijn verzoek om omgang, de kracht heeft om het traject bij Levvel weer op te pakken. Met dit traject werd gewerkt aan contactherstel tussen vader en [minderjarige] . Uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting blijkt de rechtbank dat dit traject is stopgezet vanwege de door vader gestarte gerechtelijke procedure, maar kan dit traject weer worden opgepakt als deze procedure voorbij is.
De rechtbank merkt tot slot op dat het [minderjarige] intussen altijd vrij staat om de omgang met de vader – eventueel met hulpverlening vanuit Levvel – op te pakken als hij daar behoefte aan heeft en de ruimte toe voelt.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.H. Reintjes, griffier, op 10 juli 2025.
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.