Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-07-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:5188
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1102 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] eiser (gemachtigde: mr. M. den Hertog), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. E.H.A. van den Berg). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 18 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De totstandkoming van de besluiten 1. Eiser is burger van Slowakije, één van de lidstaten van de Europese Unie. Hij volgt per 1 september 2023 de master International and European Law aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft voor het collegejaar 2023-2024 studiefinanciering aangevraagd. Eiser is in Nederland gestart als zelfstandig ondernemer. Verweerder is voor de maanden februari 2024 tot en met juni 2024 soepel geweest met de voorwaarden, omdat eiser nog zijn eigen onderneming aan het opstarten was. Eiser heeft daarom voor deze maanden studiefinanciering ontvangen. 2. Op 30 augustus 2024 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor studiefinanciering voor het collegejaar 2024-2025. Hij heeft een basis- en aanvullende beurs voor uitwonenden voor de periode van juli 2024 tot en met december 2024 aangevraagd. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen. Hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder met een apart besluit alsnog een deel van eisers aanvraag gehonoreerd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Aan eiser is studiefinanciering toegekend voor de maanden september 2024 tot en met december 2024. Voor de maanden juli en augustus 2024 heeft eiser volgens verweerder geen recht op studiefinanciering, omdat hij niet aan de omzetnorm van een migrerend werknemer of daarmee gelijkgestelde voldoet. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag tot studiefinanciering van eiser terecht heeft afgewezen omdat eiser niet gelijkgesteld kon worden met een migrerend werknemer. Het geschil ziet enkel nog op de maanden juli en augustus 2024. Heeft verweerder het juiste beoordelingskader toegepast? 4. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft het begrip ‘werknemer’ een communautaire, dat wil zeggen Europeesrechtelijke, reikwijdte en mag het niet beperkt worden uitgelegd. Werknemer in de zin van het VWEU is eenieder die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij enkel marginaal en bijkomstig zijn. Bij het onderzoek of is voldaan aan deze voorwaarde moet de nationale rechter zich baseren op objectieve criteria en alle omstandigheden van de zaak die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding, in hun geheel beoordelen. Uit de rechtspraak van het Hof over het begrip ‘werknemer’ volgt verder dat het inkomen van de betrokkene niet boven het bestaansminimum hoeft te liggen en aangevuld mag worden met andere middelen van bestaan, ook als hij daarvoor een beroep doet op een financiële ondersteuning ten laste van de algemene middelen, zoals bijstand, van de lidstaat waar hij verblijft. 5. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat ook een zelfstandige op grond van werkzaamheden aangemerkt kan worden als migrerend werknemer. Van het verrichten van werkzaamheden niet in loondienst kan sprake zijn bij een geheel van economische activiteit