Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:5129
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,325 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-163837-24
Datum uitspraak: 18 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 december 2022 door the Sofia Regional Prosecutor’s Office, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 3 juni 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden tot de zitting van 18 juni 2025 om de beantwoording af te wachten van de op 30 mei 2025 door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gestelde vragen.
Zitting 18 juni 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 18 juni 2025 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan, waarvan deze uitspraak de schriftelijke uitwerking betreft.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement pursuant to Private Criminal Case No.23463/2014 of the Sofia Regional Court, Criminal Division, 111th Chamber in force since 10.04.2015, met referentie II-1726/2014 (hierna: het verzamelvonnis).
Uit het EAB blijkt dat de volgende vonnissen ten grondslag liggen aan dit verzamelvonnis:
General Criminal Case No. 1039/2000 of the Blagoevgrad Regional Court;
General Criminal Case No. 290/2001 of the Blagoevgrad Regional Court;
Criminal Case No. 474/2001 of the Blagoevgrad Regional Court;
Criminal Case No. 677/2000 of the Razlog Regional Court;
General Criminal Case No. 343/2004 of the Blagoevgrad Regional Court;
General Criminal Case No. 1048/2003 of the Razlog Regional Court;
General Criminal Case No. 1572007 of the Slivnitsa Regional Court;
General Criminal Case No. 11577/2007 of the Sofia Regional Court;
General Criminal Case No. 5091/2010 of the Sofia Regional Court.
De overlevering wordt voor wat betreft voormelde vonnissen verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen, van respectievelijk vijf jaar en drie maanden én vier maanden en vijftien dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Hiervan resteren volgens het EAB nog vijf jaar en drie maanden. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd omdat de weigeringsgrond ex artikel 12 OLW aan de orde is. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 10 juni 2025 is niet gebleken dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis, waaraan negen onderliggende vonnissen ten grondslag liggen. Dit brengt mee dat in beginsel zowel de negen onderliggende vonnissen, waarbij over de schuld van de opgeëiste persoon is beslist en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd, als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW. Bij het verzamelvonnis is immers de duur van de eerder opgelegde straffen gewijzigd en heeft de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge beschikt.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“The Criminal Procedure Code of the Republic of Bulgaria regulates the procedure for the reopening of a criminal case at the request of a person convicted in absentia because of his non-participation in the criminal proceedings. Art. 423 of the Criminal Procedure Code provides that within 6 months of knowing the enforced sentence, the person convicted in absentia may make a request to reopen the criminal case due to his non-participation in it. The request shall be respected unless the convicted person has absconded after the indictment has been submitted in the pre-trial proceedings, which is why the procedure under
art.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sofia Regional Prosecutor’s Office, Bulgarije.
HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James - Pater en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vgl. rechtbank Amsterdam 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2927.