Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:5081
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,354 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/283643-24
Datum uitspraak: 16 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 11 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 augustus 2024 door de Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 4 juni 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Habib, advocaat in ’s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om nadere informatie op te laten vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met het oog op de toetsing aan de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Zitting 2 juli 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 2 juli 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. Y. Habib en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de dubbele strafbaarheid, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis II K 2094/19, vonnis II K 2730/19, vonnis II K 2981/19 en vonnis II K 2895/19, het gelijkstellingsverzoek en artikel 11 OLW. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Ten aanzien van het verzamelvonnis van de
District Court in Radom
van 30 oktober 2023, met referentie II K 1725/23
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 18 juni 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum op 20 juni 2025, de volgende vragen voorgelegd aan de Poolse autoriteiten:
“1) Does the address instruction given to and received by the requested person (in the cases with references II K 2730/18, II K 2094/19, II K 2981/19 and II K 2895/19) also relate to a
(possible) procedure for the accumulation of the sentences imposed?
2) How was this made known to the requested person?”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 27 juni 2025 hierop als volgt geantwoord:
“With regard to point 1: The instruction regarding the address also applies to
proceedings concerning the possible aggregation of the aforementioned penalties.
With regard to point 2: The wanted person has been instructed accordingly in
each of the cases subject to aggregation, specifically with reference to the content
of Article 139 § 1 and § 3 of the Polish Code of Criminal Procedure, which states:
§ 1: “If a party changes their place of residence without providing a new address, or
does not reside at the address previously provided, any correspondence sent to that
address shall be deemed effectively served.”
§ 3: “The provision of § 1 does not apply to correspondence sent for the first time
following a final acquittal of the accused.”
Stanpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd moet worden omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zijn geschaad. Hij was niet op de hoogte van het verzamelvonnis. Er wordt in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 juni 2025 slechts verwezen naar een Pools wetsartikel. Het is nog steeds onduidelijk op welke wijze de dagvaarding in de verzamelprocedure aan de opgeëiste persoon is dan wel geacht moet worden te zijn betekend.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit afdoende is om af te zien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van het verzamelvonnis. Het is haar ambtshalve bekend is dat de adresinstructies die worden gegeven in de onderliggende procedures zich ook tot over de verzamelprocedure uitstrekken. Bovendien valt de uitkomst van de wijziging van de totale straf door middel van een verzamelvonnis ten gunste van de opgeëiste persoon uit.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit geeft in de aanvullende informatie van 27 juni 2025 aan dat de adresinstructie zich tevens uitstrekte over een mogelijke verzamelprocedure (“the instruction regarding the address also applies to proceedings concerning the possible aggregation of the aforementioned penalties”).
Volgens vaste rechtspraak van de rechtbank Amsterdam is een dergelijke adresinstructie in een aantal gevallen voldoende om af te zien van het weigeren van de overlevering op grond van artikel 12, OLW. In het onderhavige geval doet die situatie zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet voor. Niet is gebleken dat aan de opgeëiste persoon in het kader van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid een adresinstructie is gegeven noch dat de opgeëiste persoon op de hoogte kon of moest zijn van het feit dat de in het kader van een onderliggend vonnis gegeven adresinstructie ook zou (kunnen) zien op de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis. Dat die adresinstructie zich volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit ook uitstrekte over een eventuele verzamelprocedure betekent immers niet - zonder meer - dat dit de opgeëiste persoon duidelijk was of moest zijn.
Al met al brengt dit met zich mee dat niet vastgesteld kan worden dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wist van de procedure rondom het verzamelvonnis (of daarvan had kunnen en moeten weten) en of hij al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
De rechtbank zal de overlevering dan ook weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Radom, Polen.
HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie uitspraak Rb Amsterdam 18 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4810 (ter publicatie aangeboden).
Vergelijk o.a. rechtbank Amsterdam 17 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2179 en 30 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3183.