Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:5071
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
rekestnummer: C/13/768588 / FT RK 25/411
uitspraakdatum: 17 juli 2025
Afwijzing toepassing schuldsanering
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker,
1Het procesverloop
Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 11 maart 2025, is door Coöperatieve Rabobank U.A. (Rabobank) het faillissement van verzoeker aangevraagd. Op 1 mei 2025 heeft verzoeker een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Op 16 juni 2025 heeft verzoeker aanvullende stukken ingediend. Het faillissementsverzoek is van rechtswege geschorst.
Bij brief met bijlagen van 4 april 2025 heeft Rabobank de rechtbank laten weten bezwaren te hebben tegen een eventuele toelating van verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 10 juli 2025. Daarbij is verzoeker gehoord, bijgestaan door de heer [naam] , schuldhulpverlener.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het schuldsaneringsverzoek van verzoeker moet worden afgewezen en overweegt daartoe het navolgende.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Op grond van artikel 285 eerste lid, aanhef en onder a Fw is vereist dat in het verzoekschrift dat ertoe strekt de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren, wordt opgenomen een staat met vermelding van de aard van de schulden, de namen en woonplaats van de schuldeisers en het bedrag die zij te vorderen hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de totale schuldenlast. Volgens het door verzoeker ingediende verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast € 2.716.821,09. Eén van de in het verzoekschrift vermelde schuldeisers, Rabobank, betreft de aanvrager van het faillissement van verzoeker. Uit het faillissementsverzoek en hetgeen daarover met verzoeker ter zitting is besproken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk is dat de schuldenlast van verzoeker veel groter zal blijken te zijn dan in het verzoekschrift is vermeld. Rabobank stelt naast vorderingen uit hoofde van (hypothecaire) geldleningen en een borgtocht een opeisbare vordering te hebben op verzoeker op grond van onrechtmatige daad. Verzoeker is (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. en een vijftal dochtervennootschappen (hierna: de [bedrijf 2] ). De [bedrijf 2] is gefailleerd op 17 december 2024. Rabobank heeft een financiering verstrekt aan de [bedrijf 2] van 12 miljoen euro. In het verzoekschrift tot faillietverklaring heeft Rabobank gemotiveerd gesteld dat zij bij de verstrekking van het krediet aan de [bedrijf 2] bewust is misleid door verzoeker. Rabobank voert aan dat verzoeker bij de aanvraag van het krediet valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Daarnaast stelt Rabobank dat verzoeker de [bedrijf 2] het krediet heeft laten aangaan in de wetenschap dat de [bedrijf 2] de verplichtingen uit hoofde van het krediet niet kon nakomen. Zowel Rabobank als de bij de aanvraag van het krediet betrokken accountant en de curator van [bedrijf 1] B.V. hebben strafrechtelijke aangifte gedaan tegen verzoeker in verband met de aanvraag van het krediet. Mocht komen vast te staan dat verzoeker (strafrechtelijk) verwijtbaar heeft gehandeld dan vloeien daaruit verdergaande schulden voort die niet te goeder trouw zijn ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat de exacte omvang van de schuldenlast nog onvoldoende vaststaat. Niet kan worden uitgesloten dat de omvang van de schuldenlast nog fors toeneemt in verband met een strafrechtelijke veroordeling en/of de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad. Op dit moment kan onvoldoende worden beoordeeld of verzoeker zijn te goede trouw aannemelijk heeft gemaakt.
Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Faillissementswet.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.G.T. van Emstede en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.
De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.