Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:5064
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,616 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/040117-25
Datum uitspraak: 9 juli 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende op het adres [adres 1]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2025. Verdachte was hierbij aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.I.P. Hofstee, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.M. Chung, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. mishandeling van zijn levensgezel [aangeefster] (hierna: aangeefster);
2. belaging van aangeefster; en
3. bedreiging van aangeefster.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft ten aanzien van de afzonderlijke feiten het volgende naar voren gebracht.
De verschillende onderdelen van feit 1 – mishandeling van zijn levensgezel – kunnen worden bewezen op basis van de aangifte, de letselverklaringen, de politieregistraties die betrekking hebben op verdachte en aangeefster en de bevindingen over het borstletsel.
Feit 2 – de belaging (stalking) van aangeefster – kan worden bewezen op basis van de aangifte, de screenshots van een Whatsapp-gesprek tussen verdachte en aangeefster, het onderzoek naar de telefoon van verdachte, de 1623 inkomende registraties op de telefoon van aangeefster die afkomstig zijn van de telefoon van verdachte, en het feit dat verdachte bij de woning van de moeder van aangeefster is geweest.
Feit 3 – bedreiging van aangeefster – kan worden bewezen op basis van wederom de aangifte en de screenshots van een Whatsapp-gesprek tussen verdachte en aangeefster.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten en voert daartoe het volgende aan.
Ten aanzien van feit 1 blijkt uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk welke gedragingen verdachte worden verweten en ontbreekt steunbewijs voor de aangifte. Met betrekking tot het incident van 28 november 2023 blijkt uit het dossier niet dat het letsel aan het hoofd van aangeefster is ontstaan door een waterkoker of een asbak, laat staan dat duidelijk is dat het verdachte was die een van deze twee voorwerpen tegen het hoofd van aangeefster zou hebben gegooid. Daarnaast is in zowel de letselverklaring van de huisarts als van de spoedeisende hulp van het OLVG opgenomen dat aangeefster heeft verklaard dat het letsel op 9 december 2023 niet door verdachte is veroorzaakt. Over de politiemutatie van 7 februari 2024 merkt de verdediging op dat daarin niet is opgenomen dat aangeefster letsel heeft. Ook voor het ten laste gelegde knijpen in de borst in juli 2024 geldt dat dit op de tenlastelegging te vaag is beschreven. Verdachte dient vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor alle onderdelen van feit 1 te worden vrijgesproken.
Over feit 2, de belaging, merkt de verdediging op dat het dossier rommelig en onduidelijk is en het politieonderzoek onvolledig is geweest. Aan de vereisten van belaging is niet voldaan. In de eerste plaats ontbreekt de stelselmatigheid. Het dossier bevat weliswaar screenshots van berichten die naar aangeefster zijn gestuurd, maar die berichten zijn maar van één nacht. De aantallen registraties van oproepen en sms’jes tussen de telefoons van verdachte en aangeefster zeggen niets over de inhoud daarvan. Bovendien wordt door de politie zelf aangegeven dat er dubbele registraties tussen zitten, zonder dat duidelijk is welke registraties dat zijn. Daarnaast geldt dat de wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat verdachte een legitiem doel had: hij wilde namelijk contact met zijn zoontje, over wie hij gezamenlijk met aangeefster het gezag uitoefent. Verder zijn de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar en kunnen de anonieme telefoontjes niet aan verdachte worden gekoppeld. Tenslotte heeft aangeefster tijdens de voorlopige hechtenis zelf contact gezocht met de ouders van verdachte. Er is dus geen sprake van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Over feit 3, de bedreiging, merkt de verdediging op dat de politie niet heeft onderzocht of de berichten daadwerkelijk vanaf de telefoon van verdachte zijn verstuurd. De screenshots zouden bewerkt kunnen zijn. Daarnaast heeft aangeefster aangetoond en aangegeven dat zij niet bang is voor verdachte. Daarom is er geen sprake van een strafbare bedreiging.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Vrijspraak feit 2
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en zal hem daarvan vrijspreken.
De rechtbank stelt voorop dat van belaging sprake kan zijn als de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer een stelselmatig karakter hebben. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van stelselmatigheid, zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte van belang, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Geen van deze factoren is als zodanig doorslaggevend.
Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat zij veelvuldig door verdachte werd gebeld en geappt, maar deze verklaring vindt onvoldoende steun in het dossier. De screenshots van het Whatsapp-gesprek dateren van 8 en 9 januari 2025 en laten slechts één dag zien. Het dossier bevat geen screenshots van berichten op andere dagen. Verder is niet komen vast te staan dat de anonieme oproepen afkomstig zijn van verdachte. Het aantal van 1623 inkomende registraties vanaf de telefoon van verdachte is op zichzelf niet alleszeggend, nu niet duidelijk is wat die inkomende registraties inhouden. Bovendien wordt over die registraties opgemerkt dat het deels dubbele registraties zijn, zonder dat duidelijk wordt gemaakt wat hiermee wordt bedoeld.
Wat resteert is dat verdachte op 8 en 9 januari 2025 berichten via Whatsapp aan aangeefster heeft gestuurd, dat verdachte aangeefster tussen 2 en 4 februari 2025 in totaal 42 keer heeft gebeld en dat verdachte op 25 januari 2025 naar het huis van de moeder van aangeefster is gegaan. De inhoud van de berichten is weliswaar bedreigend (zie hierna bij de bespreking van feit 3), maar de rechtbank is van oordeel dat vanwege de relatief korte periode en het beperkt aantal momenten waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte contact met aangeefster heeft gezocht, nog niet kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
3.3.2
Oordeel over feit 1
De rechtbank is van oordeel dat alle vier de onder dit feit ten laste gelegde handelingen als mishandeling van zijn levensgezel kunnen worden bewezen.
Voor alle handelingen geldt dat de rechtbank de aangifte als uitgangspunt neemt. De rechtbank vindt de aangifte betrouwbaar, want wat in de aangifte staat over de verschillende handelingen en het letsel dat daar het gevolg van was, vindt voldoende steun in het dossier. De stelling van verdachte dat hij er niets mee te maken heeft, dat hij geen idee heeft hoe aangeefster aan haar verwondingen is gekomen, dat zij mogelijk ergens tegenaan is gelopen en “snel blauwe plekken krijgt”, vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte woonde destijds samen met aangeefster en uitgaande van zijn verhaal, moet hij het zichtbare letsel bij zijn partner hebben gezien en daarnaar hebben gevraagd.
De rechtbank oordeelt op basis van de aangifte en de letselverklaring van de huisarts dat kan worden bewezen dat verdachte een waterkoker tegen het hoofd van aangeefster heeft gegooid. Dat de huisarts in de letselverklaring heeft genoteerd dat de verwonding is veroorzaakt door een asbak, dat het een ongeluk was en dat het niet is veroorzaakt door een bekende, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De huisarts noteert de informatie die hij van de patiënt krijgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van huiselijk geweld niet altijd eerlijk durven te vertellen waardoor zij letsel hebben opgelopen, ook niet tegen hulpverleners. Daarom hecht de rechtbank geen waarde aan hetgeen aangeefster in eerste instantie bij de huisarts heeft verklaard over het ontstaan van haar verwonding.
De rechtbank oordeelt op basis van de aangifte en de letselverklaring van de spoedeisende hulp van het OLVG dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster op het hoofd heeft geslagen. Ook hier geldt dat in de letselverklaring weliswaar staat dat het letsel niet is veroorzaakt door de partner, maar dat de rechtbank hieraan voorbij gaat om dezelfde reden als hierboven genoemd.
De rechtbank oordeelt op basis van de aangifte en de politieregistratie van 7 februari 2024 dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster aan haar haren over de grond heeft gesleept. In de politiemutatie wordt gesproken van schaafplekken op de onderrug. Dat is letsel dat past bij het over de grond slepen van iemand.
De rechtbank oordeelt op basis van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin het borstletsel wordt beschreven, dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster in de borst heeft geknepen.
De bovengenoemde handelingen hebben plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode. In die periode had verdachte een relatie met aangeefster, zo volgt uit de aangifte en de verklaring van verdachte op de zitting. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van zijn levensgezel.
3.3.3
Oordeel over feit 3
De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Aan de hand van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin 17 screenshots worden beschreven, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 8 en 9 januari 2025 berichten heeft gestuurd waarin onder andere de volgende ten laste gelegde bedreigingen staan:
“Kinderen ga ik allemaal vermoorden”
“Jullie gaan dood en ik bluf niet”
“Ga jullie vermoorden” en
“Kom ik ga je bek verbouwen”
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat deze berichten door verdachte zijn gestuurd. Dit oordeel baseert de rechtbank op de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin een screenshot is opgenomen waarop het bericht “Kinderen ga ik allemaal vermoorden” te zien is samen met het telefoonnummer van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde, en hierboven geciteerde, uitlatingen van verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling van aangeefster opleveren.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de haar bewezen geachte feiten 1 tot en met 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 190 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een locatieverbod en een contactverbod in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, voor de duur van 2 jaren waarbij de vervangende hechtenis wordt bepaald op 2 weken per overtreding met een maximale duur van 6 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de meerdaadse samenloop tussen de belaging en de bedreiging.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman van verdachte moet er bij het opleggen van de straf rekening mee worden gehouden dat verdachte steeds duidelijk heeft gemaakt dat hij contact met zijn zoontje wilde houden. De reclassering heeft in het geval van een eventuele veroordeling geadviseerd om een voorwaardelijke straf op te leggen. Dit getuigt van vertrouwen bij de reclassering dat verdachte zich aan de gestelde voorwaarden kan houden en geen acuut risico vormt.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Hij heeft zijn toenmalige levensgezel meerdere keren mishandeld en hij heeft haar ook bedreigd. De mishandelingen vonden plaats in of vlakbij de eigen woning. Met de mishandelingen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, maar dat ook nog eens gedaan op een plek en binnen een relatie die bij uitstek veilig zouden moeten zijn. De bedreiging is een ernstig feit dat tot angstgevoelens bij het slachtoffer heeft geleid. De impact die de mishandelingen en de bedreiging op het slachtoffer hebben gehad blijkt duidelijk uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting is voorgelezen.
Verdachte heeft alle feiten ontkend en zichzelf in de slachtofferrol geplaatst. Hij zou niet de agressor zijn, maar aangeefster. Verdachte heeft dus geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Tijdens de zitting heeft hij aangegeven dat hij vaak heeft gebeld en veel berichten heeft gestuurd omdat hij zijn kind wilde zien en spreken. Hoewel het invoelbaar is dat een vader contact wil hebben met zijn kind, rechtvaardigt dat niet dat verdachte het slachtoffer heeft bedreigd.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten of bedreiging. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Inforsa van 11 juni 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit volgt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Volgens de reclassering is er ook sprake van psychische problematiek. Ondanks een overtreding van de bijzondere voorwaarden door verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ziet de reclassering voldoende aanknopingspunten om verdachte binnen een voorwaardelijk kader te begeleiden. Concreet adviseert de reclassering tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf onder de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering (na afspraak);
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
Contactverbod met het slachtoffer, haar moeder en haar kinderen;
Locatieverbod (met elektronische monitoring);
Dagbesteding;
Meewerken aan middelencontrole.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De eis van de officier van justitie is gebaseerd op een bewezenverklaring van alle drie de feiten die ten laste zijn gelegd. Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 2 (belaging) komt de straf lager uit dan de eis van de officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijk strafdeel moet worden opgelegd. Door middel van dit voorwaardelijke strafdeel – en het toezicht en de behandeling die daaraan verbonden zullen worden – wordt verdachte in de gelegenheid gesteld zijn problematiek onder ogen te zien en hiermee aan de slag te gaan.
Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte een gevangenisstraf van 150 dagen op te leggen, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel – naast
de algemene voorwaarden – de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod en het locatieverbod, waarvoor een aparte maatregel wordt opgelegd.
Maatregel
Het contactverbod en het locatieverbod zal de rechtbank opleggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Het doel van deze maatregel is beveiliging van het slachtoffer en voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat zij van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of dat hij zich op een andere manier belastend naar slachtoffer, haar moeder en/of haar kinderen zal gedragen, gelet op de risico-inschatting van de reclassering. De rechtbank zal de duur van de maatregel stellen op 2 jaren en de vervangende hechtenis per overtreding bepalen op 14 dagen, met een maximale duur van 6 maanden.
8Vordering van de benadeelde partij
8.1
De vorderingen
De benadeelde partij [aangeefster] vordert € 385 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit de vergoeding van het eigen risico dat in de toekomst betaald moet worden en € 8.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het gaat om toekomstige schade. De vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen, omdat het gevorderde bedrag redelijk is.
8.3
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat er vrijspraak van alle feiten is bepleit. Voor het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt, zodat de benadeelde partij ook om die reden in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering moet worden gematigd, omdat de benadeelde partij willens en wetens het contact tussen verdachte en zijn zoontje heeft belemmerd, terwijl er sprake is van gezamenlijk gezag.
8.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde schade ziet op het eigen risico dat de benadeelde partij in de toekomst moet betalen als gevolg van een behandeling bij een psycholoog. Deze schade is op dit moment nog niet geleden en het is niet duidelijk of deze schade daadwerkelijk zal worden geleden. Het dossier bevat weliswaar een doorverwijzing naar een psycholoog, maar niet is gebleken dat het vast staat dat een behandeling zal worden gevolgd. Op dit moment komt de toekomstige schade daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade is deels toewijsbaar.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 50 (vijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij de reclassering
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich op afspraak bij Reclassering Inforsa op het adres [locatie] te Amsterdam;
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het alcoholgebruik van veroordeelde. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
Dagbesteding
dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of onbetaald werk met een vaste structuur;
Meewerken aan middelencontrole
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het gebruik te leren beheersen van alcohol en drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en/of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Nu verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft doorgebracht, komt hij niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, en is de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde.
Legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren
(1) zich niet zal ophouden in een straal van 200 meter rondom het adres [adres 2] te Amsterdam
(2) op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:
1. [aangeefster] , geboren [geboortedatum 1] ;
2. [moeder aangeefster] , geboren [geboortedatum 2] ;
3. [kind 1] , geboren [geboortedatum 3] ;
4. [kind 2] , geboren [geboortedatum 4] ;
5. [kind 3] , geboren [geboortedatum 5] ;
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 stk verdovende middelen (Omschrijving: PL1300-2025019892-6615738, 0,7 gr.).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] toe tot een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 2.000,00 (tweeduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.