Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-29
ECLI:NL:RBAMS:2025:4985
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,295 tokens
Dictum
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 18 november 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen (België) op 12 november 2024 en betreft:
[de overgeleverde persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (België),
thans gedetineerd in België,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
Beoordeling
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
De overgeleverde persoon is op 15 juli 2024 in het bijzijn van zijn advocaat gehoord door de eerste substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout. Uit het proces-verbaal van verhoor leidt de rechtbank af dat de overgeleverde persoon tijdens dat verhoor de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken.
Het verzoek betreft een viertal feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis van 5 maart 2024 terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich echter de in artikel 12, sub c, OLW genoemde omstandigheid voorgedaan omdat de overgeleverde persoon niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend.
In het EAB waarin het verzoek om aanvullende toestemming is vastgelegd is onder rubriek d) punt 3.3 aangekruist en aangegeven dat de overgeleverde persoon niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend. Uit de aanvullende informatie blijkt voorts dat de overgeleverde persoon op 24 mei 2024 persoonlijk kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis van 5 maart 2024 én van de rechtsmiddelen die daartegen openstonden en de termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kon worden aangewend. Op 16 juli 2024 is door de overgeleverde persoon verzet aangetekend. Op 22 augustus 2024 is echter door de Belgische rechtbank geoordeeld dat dit 'laattijdig was'.
Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan aanvullende toestemming in de weg.
Dubbele strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan ten aanzien van twee van de vier feiten is voldaan en dat hieraan ten aanzien van de andere twee feiten niet is voldaan. Die laatste feiten betreffen de veroordeling van de overgeleverde persoon omdat hij heeft auto gereden terwijl hij de medische, psychische, theoretische en/of praktische onderzoeken niet had ondergaan die hem waren opgelegd bij vonnis van de Politierechtbank van Antwerpen van 4 juni 2015.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van weigering op grond van artikel 7 OLW af te zien vanwege het navolgende. De feiten hebben geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde, want de feiten zijn immers in België begaan, door een Belgische onderdaan en de overgeleverde persoon handelde in strijd met een door een Belgische rechter opgelegde maatregel.
Detentiegarantie
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 24 december 2024 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken is de volgende garantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de overgeleverde persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Bever.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de overgeleverde persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m² individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m² inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de overgeleverde persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de overgeleverde persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (waaronder de CPT-standaarden).
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.
Dictum
De rechtbank:
verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf van [de overgeleverde persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 29 januari 2025 door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en R.W.L. Koopmans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier.
HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.