Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-29
ECLI:NL:RBAMS:2025:4980
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,920 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-359300-24
Datum uitspraak: 29 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 november 2024 (zoals gecorrigeerd op 8 januari 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2024 door het Amtsgericht Ravensburg, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Montenegro),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Montenegrijnse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Montenegrijnse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Ravensburg van 29 oktober 2024, dossiernummer: 53 Js 23997/24 7 Gs 1736/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van het voorwerp (telefoontoestel) dat is aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet (voldoende) genoegzaam is. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het niet duidelijk is of het EAB een vervolgings- of executie-EAB betreft, omdat onderdeel d) van het EAB is ingevuld. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de omschrijving van de feiten onvoldoende duidelijk is, althans het omschreven feitencomplex niet overeenkomt met de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit zoals genoemd in het EAB. Het slachtoffer had immers enkele kleine verwondingen die niet passen bij het meermaals slaan met een hamer op het hoofd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het EAB genoegzaam en merkt op dat onderdeel d) van het EAB blijkbaar abusievelijk is ingevuld, omdat verder uit het EAB duidelijk blijkt dat sprake is van een vervolgings-EAB, aangezien onderdeel b) een nationaal arrestatiebevel vermeldt en onderdeel c) de maximum straf die voor het feit kan worden opgelegd. Verder is de feitenomschrijving in het EAB voldoende duidelijk. De kwalificatie van het feitencomplex is voor de beoordeling of is voldaan aan het vereiste van artikel 2 OLW niet relevant.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat – ondanks het klaarblijkelijk abusievelijk invullen van onderdeel d – het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, duidelijk strekt tot strafvervolging en dat het EAB een genoegzame omschrijving van het feit bevat. De opgeëiste persoon wordt immers als medepleger verdacht van, kort gezegd, een aanslag op een persoon door hem meermaals fors met een hamer op het achterhoofd te slaan op 19 oktober 2024 in Bad Buchau, Duitsland. Met deze omschrijving in het EAB is voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten. Het verweer slaagt niet.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
Moord en doodslag, zware mishandeling
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van de bij de opgeëiste persoon in beslag genomen telefoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Ravensburg (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:
- Telefoon, merk Redmi 6, kleur zwart (goednummer: PL2700-24-103187-6).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en R.W.L. Koopmans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.