Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:4948
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,361 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3842
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het wegslepen van de auto van eiser door het college, omdat zijn auto geparkeerd stond op een vergunninghouderplaats voor autodelen. De kosten voor het wegslepen zijn verhaald op eiser. Eiser is het niet eens met het wegslepen van zijn auto. Hij voert daartoe aan dat er geen verkeersbesluit was voor de vergunninghouderplaats, het bord verkeerd stond en de parkeerplaats nog niet actief in gebruik was. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het voertuig van eiser mocht wegslepen en de kosten op eiser mocht verhalen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de auto van eiser mocht wegslepen en de kosten op eiser mocht verhalen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 28 november 2023 heeft het college met toepassing van bestuursdwang de auto van eiser laten wegslepen omdat hij geparkeerd stond op een vergunninghouderplaats. Het college heeft de kosten voor het wegslepen van de auto van € 373,00 op eiser verhaald.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 2 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
3. Eiser voert aan dat college geen verkeersbesluit heeft genomen om de parkeerplaats aan te wijzen als een parkeerplaats die alleen bestemd is voor de vergunninghouder. Ook is er geen verkeersbesluit dat de rijrichting (tijdelijk) was gewijzigd. Verder voert eiser aan dat het verkeersbord verkeerd stond geplaatst. Het bord was niet evenwijdig aan de weg geplaatst en had zodanig geplaatst moeten zijn dat deze kenbaar was voor hen die uit de formele rijrichting kwamen. Op dat moment was de rijrichting namelijk de andere kant op. Dit blijkt ook uit het antwoord van de gemeente op de melding die de buurman van eiser heeft gemaakt over de plaatsing van de borden. Ten slotte voert eiser aan dat de parkeerplaats in de praktijk meestal leeg stond en niet werd gebruikt door deelauto’s. Pas weken later stond er de eerste auto van DIKS.
Mocht het college de auto van eiser wegslepen?
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen, bijvoorbeeld wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. Dit wordt de handhavingsplicht genoemd.
4.1.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat de auto van eiser op 28 november 2023 stond geparkeerd op een parkeerplaats waarbij het verkeersbord E9 met een onderbord was geplaatst. Met het bord E9 en het onderbord is aangegeven dat de parkeerplaats alleen voor de vergunninghouder DIKS is bestemd. Het college heeft op de zitting terecht gesteld dat voor het plaatsen van een verkeersbord E9 geen verkeersbesluit nodig is. Dit volgt uit artikel 12, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Daarnaast heeft het college op de zitting het verkeersbesluit overgelegd waaruit blijkt dat de rijrichting tijdelijk, gedurende de tijd van de werkzaamheden in de omgeving van juni 2023 tot december 2023, was gewijzigd.
4.2.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat sprake was van een overtreding. Eiser heeft zijn auto geparkeerd in strijd met artikel 24, eerste lid, sub g, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV). Het college was daarom op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) in beginsel bevoegd om met bestuursdwang op te treden en had een handhavingsplicht. Het vrijhouden van de parkeerplaats voor deelauto’s van DIKS kon enkel worden bereikt door het wegslepen van de auto van eiser. Het parkeren van de auto van eiser op de aangewezen parkeerplaats doet afbreuk aan het met het parkeerverbod na te streven doel, namelijk het stimuleren van deelauto’s. Dat er op dat moment of in de weken erna geen vraag was naar de parkeerplaats door deelauto’s van DIKS, maakt dat niet anders. In dit geval is ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college van het wegslepen had moeten afzien.
Mocht het college de kosten van het wegslepen van de auto op eiser verhalen?
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling gaan in de regel uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samen. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.
4.4.
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verkeerssituatie – anders dan eiser heeft aangevoerd – voldoende duidelijk was. In de regel gelden verkeersborden voor het gebied ná het bord, bezien vanuit de richting van waaruit het bord zichtbaar is (de rijrichting). Uit het door het college op de zitting overgelegde verkeersbesluit en de borden en geparkeerde auto’s op de foto’s in het dossier van de dag van het wegslepen blijkt dat de gereserveerde parkeerplaats zich direct na het verkeersbord bevindt, bezien vanuit de op dat moment geldende rijrichting. Het verkeersbord was zo goed als haaks ten opzichte van de wegas geplaatst en aan de voorkant voor de parkeerplaats waar eiser geparkeerd stond. De door eiser in beroep overgelegde foto’s en melding door zijn buurman bij de gemeente leiden niet tot de conclusie dat de verkeersituatie onvoldoende duidelijk was. Deze zijn namelijk van een latere datum, terwijl de situatie van het moment van het wegslepen van de auto doorslaggevend is.
4.5.
Daarnaast is niet gebleken van andere, bijzondere omstandigheden die maken dat het college had moeten afzien van het verhalen van de kosten op eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in redelijkheid de kosten voor het wegslepen op eiser kon verhalen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het college de auto van eiser mocht wegslepen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2896.
Op grond van artikel 24, eerste lid, sub g, van het RVV mag een bestuurder zijn auto niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3643.