Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:4904
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,288 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/130805-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 10 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2025 door the Regional Court in Lublin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 juni 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB, artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court Lublin-Zachód in Lublin van 9 maart 2022 met referentie IX K 528/24. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 mei 2025 volgt dat de in het EAB opgenomen datum van het vonnis niet klopt. Het vonnis met referentie IX K 528/24 is blijkens die aanvullende informatie gewezen op 26 juli 2024 (de datum die ook in onderdeel f) van het EAB genoemd staat). De rechtbank zal het EAB dan ook verbeterd lezen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon nog volledig te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Artikel 12 OLW
In onderdeel d) van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid én dat hij voor dat proces op 1 februari 2022 in persoon is opgeroepen (een datum die ligt vóór de pleegdatum van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, 29 juli 2023). De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden teneinde hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank gaat, met de officier van justitie, echter uit van de aanvullende informatie van 30 mei 2025 en het bijbehorende opnieuw ingevulde onderdeel d) van het EAB en ziet deze als vervanging van het in het EAB opgenomen onderdeel d). Uit dit opnieuw ingevulde onderdeel d) (en uit de aanvullende informatie zelf) blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis met referentie IX K 528/24 heeft geleid. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dus niet voor. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande dan ook geen aanleiding om de behandeling aan te houden om nadere vragen te stellen.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Polen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering niet kan worden toegestaan subsidiair dat de behandeling moet worden aangehouden, zodat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een garantie kan worden gevraagd dat de opgeëiste persoon niet in de gevangenis van Opole Lubelskie zal worden geplaatst. De opgeëiste persoon zou tijdens een eerder verblijf in deze gevangenis stelselmatig getreiterd en mishandeld zijn door het gevangenispersoneel. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw in haar pleitnota een tekstbericht van de moeder van de opgeëiste persoon opgenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd is niet voldoende onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld.
De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in de gevangenis van Opole Lubelskie door het gevangenispersoneel stelselmatig getreiterd en mishandeld worden. Nu van een dergelijk algemeen gevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet gevaar voor de opgeëiste persoon.
Concluderend staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).