Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:4820
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
4,647 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3464
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. S. Schotman),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.A. de Wied).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woonwagen en standplaats van verzoekers. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Verweerder heeft de woonwagen mogen sluiten en daarbij de belangen van de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoekers. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 heeft verweerder de woonwagen en standplaats gelegen aan het [adres 1] te [woonplaats] voor de duur van drie maanden gesloten. Verweerder is hier op grond van artikel 13b Opiumwet toe over gegaan na het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep, wapens en munitie in de woonwagen.
2.2.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
3.1.
Verzoekers zijn huurders van de standplaats en de woonwagen aan het [adres 1] te [woonplaats] . In de naastgelegen woonwagen op [adres 2] woont de zoon van verzoekers. De politie is naar aanleiding van een tip op 20 februari 2025 een strafrechtelijk onderzoek gestart. Tijdens dat onderzoek werd gezien dat de woning op het [adres 2] in de avonduren vaak bezocht werd door personen met Opiumwet antecedenten. Er is meerdere keren gezien dat er tassen over en weer uitgewisseld werden tussen [naam 1] (de zoon) en andere personen. Deze tassen gingen in of kwamen uit de woning. Hierbij ontstond het vermoeden dat het ging om het overdragen van geld of verdovende middelen.
3.2.
In de avond en nacht van 2 op 3 april 2025 heeft de politie beide woonwagens doorzocht. Uit de politierapportage van 18 april 2025 blijkt dat in de woonwagen van verzoekers is aangetroffen: een zak met ruim een kilo hennep, een Uzi pistoolmitrailleur inclusief patroonmagazijn gevuld met munitie, een Scorpion EVO 3 S1 pistool karabijn, inclusief patroonhouder gevuld met patronen en twee patroonmagazijnen voor een Kalasjnikov AK47 gevuld met munitie. Uit het sluitingsbevel van de woonwagen van de zoon van 26 mei 2025 volgt dat daar harddrugs (in ieder geval 411,74 gram), softdrugs (5.411 gram), meerdere vuurwapens, munitie, zwaar illegaal vuurwerk en politie-uitrustingen zijn aangetroffen. Vader en zoon [naam 1] zijn gearresteerd en bevinden zich sindsdien in voorarrest.
3.3.
Naar aanleiding van voornoemde constateringen heeft verweerder op 23 april 2025 het voornemen geuit om de woonwagen van verzoekers te sluiten. Die hebben op 29 april 2025 een zienswijze ingediend. Verweerder is uiteindelijk op 28 mei 2025 overgegaan tot sluiting van beide woonwagens voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels. Er zijn volgens verweerder in de zienswijze van verzoekers geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan van het beleid dient te worden afgeweken.
Beoordeling
4. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekers dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
5.1.
Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, nader aangevuld in de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
5.2.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
Bevoegdheid
6.1.
Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer.
6.2.
Niet in geschil is dat er in de woonwagen van verzoekers een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, zodat verweerder in beginsel bevoegd is de woonwagen te sluiten. De vraag is of verweerder de sluiting noodzakelijk en evenredig heeft kunnen achten.
Noodzaak
7.1.
Als verweerder bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of verweerder met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een woning is een ernstig geval. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens.
7.2.
Verzoekers hebben de noodzaak van de sluiting voor de duur van drie maanden betwist. Zij hebben aangevoerd dat sprake is van een eerste overtreding en dat ten aanzien van hun woonwagen niet is gebleken van een handelsindicatie. Er is geen loop vastgesteld naar deze woonwagen en er zijn ook geen attributen aangetroffen. Ook waren er geen signalen van overlast. Verweerder heeft geen minder verstrekkende alternatieven onderzocht, zoals cameratoezicht. Ook had verweerder kunnen volstaan met een kortere sluiting waarmee het signaal naar de samenleving dat wordt opgetreden, ook was bereikt.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor drie maanden. Er is namelijk een hoeveelheid drugs aangetroffen die de gebruikershoeveelheid aanzienlijk overschrijdt. Daarbij komt dat er sprake is van in de Beleidsregels beschreven verzwarende omstandigheden. Zo zijn er twee automatische wapens en munitie in de woonwagen van verzoekers aangetroffen. Deze wapens vormen daarbij een signaal dat er drugs vanuit het pand worden verhandeld. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid als verzwarende omstandigheid heeft kunnen meewegen dat in de naastgelegen woning van de zoon van verzoekers ook flinke hoeveelheden hard- en softdrugs zijn aangetroffen en diverse wapens. Bij die woonwagen is wel een “loop” waargenomen door de politie. Verweerder had gelet op al deze omstandigheden in samenhang bezien dan ook niet met cameratoezicht, een waarschuwing of sluiting van kortere duur hoeven te volstaan.
Evenwichtig
8.1.
Als verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, zoals in dit geval, komt de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als verweerder daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
8.2.
Verzoekers hebben aangevoerd dat de sluiting niet evenwichtig is. Het is volgens de gemachtigde van verzoekers maar de vraag of verzoekers er bewust van waren dat de drugs en de wapens in hun woonwagen lagen, gelet op het feit dat deze niet in het zicht lagen. De sluiting zorgt voor veel stress en onrust bij verzoekers en dat komt hun gezondheid niet ten goede. Verzoekers hebben een broze gezondheid door hartproblemen. De voorlopige hechtenis van [naam 1] kan mogelijk niet (met elektronisch toezicht) worden geschorst omdat hij bij voortduren van de sluiting geen vast adres heeft om te verblijven. [naam 2] kan niet meer bij haar dochter verblijven en woont momenteel in een caravan, zonder gas, water en licht. Verzoekers woonden al 38 jaar zonder problemen in de woonwagen en nu is de huurovereenkomst door de gemeente buitengerechtelijk ontbonden, zodat zij mogelijk ook nooit meer terug kunnen keren op deze of een andere standplaats. Bovendien heeft de burgemeester haar zorgplicht jegens verzoekers geschonden omdat ze niet heeft meegedacht in het vinden van vervangende woonruimte.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoekers – de sluiting van de woning en de duur daarvan niet onevenwichtig zijn. Van belang bij het beoordelen van de evenwichtigheid is de verwijtbaarheid van verzoekers. Het is vaste rechtspraak dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan maken dat de burgemeester geen gebruik van zijn bevoegdheid heeft mogen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Verzoekers zelf hebben hierover niets verklaard.
Conclusie
9. De slotsom is dat verweerder gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woonwagen en de standplaats gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van
28 mei 2025 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 en ECLI:NL:RVS:2022:1916.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
Verwezen wordt naar artikel 3.4 van de huurovereenkomst jo. artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek.
Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3950.
Beoordeling
Uit het proces-verbaal van onderzoek van 3 april 2025 blijkt dat in de inbouwkast in de slaapkamer gelegen op de eerste verdieping, vanaf de trap opgelopen gezien aan de linkerzijde, twee vuurwapens en twee patroonmagazijnen beide voorzien van munitie zijn aangetroffen. Deze lagen in een rode boodschappentas in een inbouwkast. Verder zijn in de andere slaapkamer, welke is gelegen aan de andere zijde van de hal boven aan de trap, op de grond in een verder lege koffer twee patroonmagazijnen voorzien van munitie aangetroffen. Gelet op waar de goederen zijn aangetroffen, deels zichtbaar op de grond in de slaapkamer, acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat verzoekers geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Bovendien zijn verzoekers beiden nog verdachte in de strafzaak en zit de heer [naam 1] als gevolg daarvan nog in voorlopige hechtenis. De voorzieningenrechter is gelet op voorgaande dan ook van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers geheel verantwoordelijk zijn voor wat er in hun woonwagen is aangetroffen.
8.4.
Nu niet blijkt dat verzoekers geen verwijt kan worden gemaakt, komt voor eigen risico dat zij de sluitingsperiode niet in hun woonwagen kunnen verblijven en hun huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden door de verhuurder. Hier komt nog bij dat uit de brief waarbij de huurovereenkomst buitengerechtelijke is ontbonden, blijkt dat de verhuurder van oordeel is dat de ontbinding van de huurovereenkomst ook gerechtvaardigd is omdat de huurders zijn tekort geschoten in de nakoming van de huurverplichtingen doordat zij zich niet als goed huurder hebben gedragen. Anders gezegd: de ontbinding van de huurovereenkomst is niet enkel een gevolg van de woningsluiting. Dat de sluiting voor stress zorgt en invloed heeft op de gezondheid van verzoekers is onvoldoende om te spreken van een onevenwichtige sluiting. Niet is gebleken dat vanwege de medische situatie er een bijzondere binding met deze woonwagen is. Verder is het niet hebben van een woning in het kader van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis niet een omstandigheid die in dit geval van belang is. Nog los van dat deze stelling niet is onderbouwd met stukken uit het strafrechtelijk dossier, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit een verwijtbaar gevolg is van hetgeen verzoekers in hun woning hebben opgeslagen.
8.5.
Dat verweerder haar zorgplicht heeft geschonden omdat op geen enkele wijze is meegedacht over de gevolgen van de sluiting en ontbinding van de huurovereenkomst, volgt de voorzieningenrechter niet. Voor de sluiting heeft verweerder contact opgenomen met [bedrijf] (verhuurder). [bedrijf] gaf aan voornemens te zijn het huurcontract te ontbinden. Alvorens daartoe over te gaan, stellen zij eerst vast of de bewoners kwetsbaar zijn en er wellicht een zorgtraject zal worden gestart. Op dat moment waren daar geen signalen voor maar dat zou nader onderzocht worden. De vraag of dat voldoende is onderzocht en of de buitengerechtelijke ontbinding en aangezegde ontruiming rechtmatig is, kan worden voorgelegd in een spoedprocedure bij de civiele rechter. Verder gaven verzoekers op het moment van sluiting aan dat zij bij hun dochter terecht konden waardoor zij niet dakloos zouden worden. Verweerder heeft dus weldegelijk de gevolgen van de sluiting in het besluit betrokken. De zorgplicht van verweerder strekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het algemeen niet zo ver dat zij zorg moet dragen voor alternatieve woonruimte indien als gevolg van de sluiting de bewoners feitelijk dakloos dreigen te worden. De jurisprudentie waar de gemachtigde van verzoekers naar verwijst verschilt in zoverre ook van de onderhavige situatie, omdat daarin werd geconcludeerd dat de aanwezigheid van drugs in de woning slechts in beperkte mate aan appellante kon worden verweten. Zoals hiervoor overwogen kan dat in dit geval niet worden geconcludeerd.
8.6.
De voorzieningenrechter komt aldus tot de conclusie dat verweerder de sluiting evenredig heeft kunnen achten. Zij heeft het algemeen belang dat is gediend met het herstel van de openbare orde mede gelet op de ernst van de situatie ter plaatse, zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van verzoekers.