Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:4761
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,230 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-085561-25
Datum uitspraak: 12 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 25 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 december 2024 door het Gerechtshof van het district Leiria (Portugal) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 15 mei 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 28 mei 2025
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 28 mei 2025 het onderzoek ter terechtzitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Zitting 12 juni 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Portugese taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 28 mei 2025
Bij tussenuitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de dubbele strafbaarheid en de detentieomstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de tussenuitspraak van 28 mei 2025 waarin onder meer is geoordeeld dat (enkel) het hoger beroep onder de reikwijdte valt van artikel 12 OLW. Deze overwegingen dienen hier eveneens als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Per brief van 6 juni 2025 hebben de Portugese autoriteiten de in de tussenuitspraak gestelde vragen voor zover relevant als volgt beantwoord:
With regard to what you requested in your email of 05-06-2025 on the subject in question, I have the honour to inform you that in the appeal in question (03.04.2023) no evidence was requested and no new evidence was presented.
The object of the appeal was limited to challenging the measure of the penalty actually imposed and its grounds.
The appeal was upheld in part, with the Court of Appeal reducing the effective prison sentence from five years to four years and eight months.
In this type of appeal, there is no public hearing or face-to-face hearing of the Defendant, under the terms of Portuguese criminal procedure law, which is why it did not take place in this case.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de nieuwe informatie zijn eerdere standpunt niet heeft veranderd. Artikel 12 OLW staat dan ook aan de overlevering in de weg nu de opgeëiste persoon niet is geïnformeerd over de zitting in hoger beroep en slechte rechtsbijstand had in Portugal. Hierdoor heeft hij zijn verdedigingsrechten niet kunnen uitoefenen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de overlevering toe te staan. Er is in hoger beroep niet gevraagd nieuw bewijs aan te leveren, waardoor er geen zitting plaats heeft gevonden in hoger beroep. De officier van justitie heeft verwezen naar de uitspraak met ECLI-nummer: ECLI:NL:RBAMS:2017:10297. In de omstandigheden van onderhavige zaak is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde, want de opgeëiste persoon wist van de procedure en had een advocaat die het hoger beroep heeft ingesteld. Deze situatie valt onder artikel 12, sub b, OLW. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding is om van de weigeringsgrond af te zien.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 april 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon op de zitting in eerste aanleg waarbij de zaak behandeld werd, aanwezig is geweest, alsook bij de zitting waarbij uitspraak in eerste aanleg werd gedaan. Vervolgens heeft de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon was hiervan op de hoogte. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 juni 2025 blijkt dat de advocaat niet heeft verzocht om nieuw bewijs aan te leveren en zelf ook geen nieuw bewijs heeft aangedragen. Het hoger beroep was daardoor beperkt tot het aanvechten van de straf en de gronden daarvoor. De opgeëiste persoon kon hier via zijn advocaat van op de hoogte zijn. De straf is in hoger beroep verlaagd van vijf jaar naar vier jaar en acht maanden. Verder volgt uit de aanvullende informatie dat er bij een dergelijke procedure in hoger beroep geen zitting plaatsvindt waarbij de opgeëiste persoon aanwezig kon zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Gerechtshof van het district Leiria (Portugal) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:3602.
ECLI:NL:RBAMS:2025:3602.