Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:4603
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,843 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6043
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. van Andel),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de voor hem geldende beslagvrije voet. In het primaire besluit van 1 maart 2024 heeft het Uwv het verzoek van eiser om de hoogte van de beslagvrije voet aan te passen afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 16 september 2024 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser is in beroep gegaan tegen dit besluit. Het Uwv heeft niet gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam] , zwager en tolk in de Marokkaanse taal. Het Uwv is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Wat er aan deze procedure voorafging
2. Eiser ontvangt een AOW-pensioen en een klein pensioen van de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering. Eiser is gehuwd; zijn echtgenote heeft geen inkomen. Van zijn pensioen moet eiser een schuld aan het Uwv betalen. De schuld is ontstaan doordat hij niet had doorgegeven dat hij inkomsten ontving naast zijn WAO-uitkering. Daardoor heeft eiser ten onrechte toeslag ontvangen op zijn WAO-uitkering. Het besluit van het Uwv over de terugvordering van € 9.362,33 (bruto) staat inmiddels onherroepelijk vast. Het Uwv heeft daarnaast een boete aan eiser opgelegd vanwege de schending van de inlichtingenplicht. Ook dit besluit staat onherroepelijk vast.
2.1.
Er heeft vervolgens een onderzoek plaatsgevonden naar eisers aflossingscapaciteit. Deze is in eerste instantie vastgesteld op € 36,39. Op 14 oktober 2019, 1 september 2020 en 20 januari 2023 heeft het Uwv schriftelijk aan eiser meegedeeld dat, na een onderzoek naar zijn financiële situatie, eiser geen aflossingscapaciteit heeft omdat zijn inkomen lager is dan het bedrag dat hij per maand over mag houden om van te leven (de beslagvrije voet).
2.2.
Op 10 oktober 2023 heeft het Uwv de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.235,- en bepaald dat eiser € 151,- per maand kan aflossen. Naar aanleiding van het door eiser toegestuurde aanvullingenformulier “Aanpassen gegevens voor berekening beslagvrije voet” (het aanvullingsformulier) is de beslagvrije voet opnieuw vastgesteld, omdat eiser een verhoging had van zijn huur en andere kosten. Het Uwv heeft de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.335,- waardoor eiser € 120,- per maand kan aflossen. Eiser heeft daarna opnieuw een aanvullingsformulier ingevuld en opgestuurd naar het Uwv. Het bedrag dat eiser aan het Uwv moet terugbetalen is opgelopen tot € 10.442,98.
2.3.
In het primaire besluit heeft het Uwv de beslagvrije voet van € 1.335,- gehandhaafd. De aanvullingen van eiser leiden volgens het Uwv niet tot een wijziging van de voor eiser geldende beslagvrije voet. Tegen deze beslissing heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De beslagvrije voet is volgens het Uwv op goede gronden vastgesteld en niet in strijd met de rechtszekerheid. Daarnaast komt eiser niet in aanmerking voor kwijtschelding, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de hoogte van de beslagvrije voet juist heeft vastgesteld.
3.1.
In de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald hoe de beslagvrije voet moet worden berekend. Het Uwv moet aan de hand van de beslagvrije voet de aflossingscapaciteit van eiser bepalen en daarmee rekening houden. Verder is van toepassing de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling).
3.2.
Met ingang van 1 januari 2021 zijn de regels voor de berekening van de beslagvrije voet gewijzigd. Er is voor gekozen om in het nieuwe systeem geen onderscheid meer te maken in leeftijdscategorieën. Voorheen was de beslagvrije voet voor jongvolwassenen en pensioengerechtigden specifiek gekoppeld aan de voor hen geldende bijstandsnorm. Vanuit het streven om tot een zo eenduidig mogelijk systeem te komen, is dit onderscheid in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) komen te vervallen. Deze wet heeft onder meer artikelen in het Rv gewijzigd die betrekking hebben op het vaststellen van de beslagvrije voet. De beslagvrije voet is daarbij verhoogd van 90% naar 95% van de geldende bijstandsnorm, maar de hogere bijstandsnorm voor personen met de AOW-gerechtigde leeftijd speelt geen rol meer. Dit heeft tot gevolg dat eiser vanaf 1 januari 2021 een hogere aflossingscapaciteit heeft dan hij onder de oude regels had. Onder de oude regels had hij gedurende lange tijd geen enkele aflossingscapaciteit. Door de wijziging wordt eiser in staat geacht om vanaf 1 januari 2021 maandelijks een (hoger) bedrag af te lossen.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat niet (langer) in geschil is dat de juiste norm is toegepast voor de berekening van de beslagvrije voet. Op de zitting heeft eiser namelijk aangegeven dat de beslagvrije voet technisch gezien goed is berekend en dat de nadelige situatie is ontstaan door de nieuwe Wvbvv, waar er van een lagere norm wordt uitgegaan.
3.4.
Eiser doet een beroep op het rechtzekerheidsbeginsel. Eiser voert aan dat bij hem de verwachting is gewekt dat bij ongewijzigde financiële omstandigheden er steeds geen ruimte is voor aflossing, omdat hij dan zijn vaste lasten niet kan betalen. Nu zijn inkomen en lasten niet zijn gewijzigd, had hij dus niet kunnen verwachten dat er ineens een aflossingsverplichting zou ontstaan.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Op de zitting heeft eiser gesteld dat het Uwv op een hoorzitting in 2019 heeft gezegd dat zolang het inkomen van eiser blijft zoals het is, er voor eiser niets verandert. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd en dat ook in het verslag van de hoorzitting niks terug te vinden is over deze mededeling door het Uwv. Verder is in meerdere brieven aangegeven dat het Uwv regelmatig een inkomens- en vermogensonderzoek zal uitvoeren en is in de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2019 vermeld dat mogelijke wijzigingen in wet- en regelgeving gevolgen kunnen hebben voor de aflossingscapaciteit. Eiser kon er naar het oordeel van de rechtbank dus niet vanuit gaan dat hij niet hoefde af te lossen als er niets veranderde in zijn situatie.
3.6.
Eiser heeft in zijn aanvullende gronden aangevoerd dat er in zijn geval sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, omdat zijn aflossingscapaciteit in een keer is gestegen van € 0,- naar € 151,- (de rechtbank begrijpt: € 120,-) als gevolg van de wijziging in de berekeningsmethode van de beslagvrije voet. In dit kader vraagt eiser om maatwerk te leveren/toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 3, zevende lid, van de Regeling (thans: artikel 3, zesde lid, van de Regeling). Eiser is van mening dat dit ook in lijn zou zijn met een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 januari 2025.
3.7.
De rechtbank overweegt dat in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 3, zevende lid, van de Regeling kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de volledige aflossingscapaciteit wordt benut voor verrekening, als dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat gedacht kan worden aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het aannemen van een kennelijk onredelijk resultaat. Eiser heeft geen andere schulden. De enkele omstandigheid dat de aflossingscapaciteit van eiser door de inwerkingtreding van de Wvbvv per 1 januari 2021 is gestegen van € 0,- tot € 120,- leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2025 kan eiser niet baten. Ook in die zaak kwam de CRvB tot de conclusie dat geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in de Regeling. Eiser heeft verder geen andere feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het benutten van de volledige aflossingscapaciteit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de voor eiser geldende beslagvrije voet en de daarmee samenhangende aflossingscapaciteit van eiser, op de juiste wijze heeft vastgesteld.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Op grond van de Toeslagenwet.
Zie ECLI:NL:CRVB:2025:216.