Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:4595
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,951 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/4940
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder, hierna: het CBR.
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR waarin eiseres ongeschikt wordt bevonden om een motorrijtuig te besturen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR eiseres ongeschikt mocht verklaren voor het besturen van motorrijtuigen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR eiseres terecht ongeschikt heeft verklaard voor het besturen van motorrijtuigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het primaire besluit van 21 mei 2024 heeft het CBR de herkeuring van eiseres gesloten en besloten dat het besluit van 10 januari 2024, waarin eiseres ongeschikt is bevonden voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, BE en T, van kracht blijft omdat er geen beoordeling kan plaatsvinden of eiseres op een veilige en verantwoorde wijze een motorvoertuig kan besturen. Met het bestreden besluit van 15 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 5 juni 2024 nog een brief gestuurd naar de rechtbank.
2.3.
Voorafgaand aan de behandeling van het beroep op de zitting van 25 juni 2025 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat zij geen vragen heeft. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 25 juni 2025 aan de orde gesteld. Geen van partijen zijn verschenen.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiseres beschikt niet meer over een rijbewijs. Haar rijbewijs is in 2022 ongeldig verklaard.
3.2.
Eiseres heeft op 7 juli 2023 een gezondheidsverklaring ingediend bij het CBR als aanvraag voor een verklaring van geschiktheid. Het CBR heeft vervolgens eiseres verwezen voor een keuring bij een neuroloog en een keurend arts naar vrije keuze. De keurend neuroloog concludeerde dat er sprake is van een cognitieve functiestoornis, waarschijnlijk dementie of MCI op grond van vasculaire oorzaken en adviseerde het CBR om eiseres te verwijzen voor een rijtest. Eiseres heeft op 10 januari 2024 een rijtest afgelegd. Eiseres is niet geslaagd voor de rijtest. De Deskundige Praktische Rijgeschiktheid (DPR) concludeert dat de aspecten selectieve aandacht, oriëntatie en besluitvorming onvoldoende zijn.
3.3.
Het CBR heeft eiseres met het besluit van 10 januari 2024 ongeschikt geacht voor het besturen van motorrijtuigen vanwege de onvoldoende rijtest. Eiseres heeft vervolgens een herkeuring aangevraagd. In de brief van 13 maart 2024 heeft het CBR aangegeven dat deze herkeuring eerst een verkeersneuropsychologisch onderzoek (VNPO) zal inhouden. Dit kan alleen bij het UMC in Groningen plaatsvinden. Een belangrijk onderdeel van de VNPO is namelijk onderzoek door middel van een rijsimulator. Deze is voor een VNPO alleen in Groningen beschikbaar.
3.4.
Eiseres heeft in correspondentie met het CBR laten weten niet aan de herkeuring te zullen meewerken omdat zij van mening is dat een herkeuring in Groningen te belastend voor haar is. Met het primaire besluit van 21 mei 2024 heeft het CBR de herkeuring van eiseres gesloten en besloten dat het besluit van 10 januari 2024, waarin eiseres ongeschikt is bevonden voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, BE en T, van kracht blijft omdat er geen beoordeling kan plaatsvinden of eiseres op een veilige en verantwoorde wijze een motorvoertuig kan besturen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Eiseres begrijpt niet waarom het CBR geen belangenafweging kan maken.
3.5.
Met het bestreden besluit van 15 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij het besluit, waarin eiseres ongeschikt is verklaard, gebleven. Het CBR volgt het advies van de keurend neuroloog en eiseres heeft een rijtest met onvoldoende resultaat afgelegd. Het CBR ziet geen redenen om te twijfelen aan de bevindingen van de DPR. De DPR heeft er geen belang bij om een onjuist beeld te schetsen van de gang van zaken en/of onjuistheden dan wel onwaarheden in zijn rapport op te nemen. Nu eiseres de rijtest met
een onvoldoende resultaat heeft afgelegd, weigert het CBR de aanvraag van een verklaring van geschiktheid. Er is volgens het CBR namelijk geen ruimte om de persoonlijke belangen van eiseres mee te wegen in de beoordeling van de rijgeschiktheid.
Beoordeling
4.1.
Het CBR is op grond van artikel 101, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen bevoegd om te vorderen dat een aanvrager, in aanvulling op de vragenlijst of vragenlijsten, of het keuringsverslag, als bedoeld in artikel 100, derde lid, zich (op eigen kosten) laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager, in aanvulling op de vragenlijst of vragenlijsten, of het keuringsverslag, zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien:
de door de aanvrager overgelegde gezondheidsverklaring, dan wel de ingevulde vragenlijst of vragenlijsten, of het keuringsverslag indien dat wordt vereist op grond van artikel 100, derde lid, daartoe aanleiding geeft;
het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft; (…).
4.2.
Uit deze formulering blijkt, dat het CBR bevoegd is om van de aanvrager te vorderen dat die een of meerdere rijtesten aflegt indien aan de daarvoor in het artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan.
4.3.
Op grond van artikel 103 van het Reglement moet een aanvrager voor het afgeven van een verklaring van rijgeschiktheid voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in eerdergenoemde Regeling.
4.4.
In paragraaf 8.6 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling) is bepaald dat, naast een specialistische rapportage van een neuroloog, psychiater, klinisch geriater of specialist ouderengeneeskunde, voor de bepaling van de geschiktheid van eiseres tevens een rijtest met een deskundige op het gebied van praktische geschiktheid van het CBR is vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020 volgt dat het tot de expertise van de deskundigen op het gebied van praktische rijgeschiktheid (DPR) behoort om de rijgeschiktheid te beoordelen. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Overwegingen
5.1.
Niet in geschil is dat eiseres niet naar Groningen is geweest voor een herkeuring door middel van een VNPO met een rijsimulator.
5.2.
Eiseres voert aan dat een herkeuring in Groningen voor haar onmogelijk is omdat het te ver weg is en zij daar niet kan komen. Zij is slecht en wankel ter been en heeft onlangs haar heup gebroken en is daarvoor geopereerd. Zij kan Groningen niet per openbaar vervoer bereiken. Ook weet zij niemand die zij kan meevragen om haar naar Groningen te brengen; het is te ver en het onderzoek duurt te lang. Daarnaast voert eiseres aan dat het CBR een belangenafweging had moeten maken.
5.3.
De rechtbank overweegt dat alleen in Groningen een rijsimulator staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR op goede gronden besloten dat het onderzoek dient te bestaan uit een neuropsychologisch onderzoek naar het reactievermogen van eiseres en een onderzoek in de rijsimulator. De rechtbank verwijst daarvoor naar de conclusie en bevindingen van de keurende neuroloog en de conclusie en bevindingen van de DPR bij de rijtest. Een rijsimulator is aangewezen omdat eiseres tijdens de rijtest onder andere niet in staat bleek om haar aandacht te richten op zaken die op dat moment voor de verkeersveiligheid prioriteit moeten hebben. Er is onder andere een remingreep noodzakelijk geweest omdat eiseres bij een verkeerslicht dat nog steeds op rood stond toch weg wilde rijden. Ook was eiseres onvoldoende in staat om verkeerssituaties qua structuur en inrichting te herkennen, te interpreteren en hiernaar te handelen en in wisselende omstandigheden weloverwogen beslissingen te nemen conform het tempo van de overige weggebruikers.
5.4.
Daarnaast slaagt het betoog van eiseres, dat het CBR ten onrechte haar persoonlijke belangen in het kader van een belangenafweging niet bij de besluitvorming heeft betrokken, niet. Het CBR heeft het bestreden besluit genomen op basis van paragraaf 8.6.2 van de bijlage bij de Regeling. Dit is een algemeen verbindend voorschrift en laat geen ruimte voor een belangenafweging. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling. Dit betekent dat de regelgever het algemeen belang van de verkeersveiligheid zwaarder heeft laten wegen dan eventuele individuele belangen. De rechtbank is daarom met het CBR van oordeel dat eiseres niet meer geschikt kan worden bevonden voor het besturen van motorrijtuigen en haar rijbewijs daarom ongeldig blijft.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2020:1681.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1584.