Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:4593
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,138 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3258
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster per 3 april 2025 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder maandelijks aan verzoekster een bedrag betaalt gelijk aan de voor verzoekster geldende bijstandsnorm.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
Feiten
2.1.
Verzoekster is een 39-jarige vrouw met één kind. Aan verzoekster wordt vanaf24 november 2015 bijstandsuitkering verstrekt naar de norm van een alleenstaande.
2.
2.2.
Naar aanleiding van een mededeling is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van verzoekster. De mededeling ziet op eventueel verblijf van verzoekster in Arnhem bij de vader van haar kind, de heer [naam 1] en op stortingen van zus [naam 2] op de bankrekening van verzoekster die kunnen wijzen op verblijf/onderhuur in de woning aan [adres] in Amsterdam. Ter vaststelling van de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering heeft verweerder raadplegingen in verschillende registers gedaan. Daarnaast heeft een rechtmatigheidsonderzoek met verzoekster plaatsgevonden. De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 12 mei 2025.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft aan de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster ten grondslag gelegd dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet de juiste informatie over haar woonsituatie te verstrekken. Volgens verweerder kan de woonsituatie niet worden vastgesteld.
Standpunt verzoekster
4. Samengevat betwist verzoekster dat haar woonsituatie niet kan worden vastgesteld. Verzoekster is momenteel veel met de gezondheid van haar dochter bezig en heeft daarom meer dan gebruikelijk contact met de vader van haar dochter die in Arnhem woont. Er wordt door verweerder niet vermeld waarom de woonsituatie niet kan worden vastgesteld. Het besluit is onrechtmatig en onvoldoende gemotiveerd.
Toetsingskader voorzieningenrechter
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Overwegingen
Spoedeisend belang
8. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij niet beschikt over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De uitkering van verzoekster is stopgezet waardoor zij geen inkomsten heeft. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan en zal het verzoek daarom inhoudelijk behandelen.
Intrekking bijstandsuitkering
9. De te beoordelen periode loopt in dit geschil van 3 april 2025 (datum ingang intrekking) tot 12 mei 2025 (datum bestreden besluit).
10. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.
11. Hoewel verweerder de nodige kennis over de relevante feiten moet vergaren, heeft de belanghebbende hierbij wel een wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet of in onvoldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet, kan verweerder de bijstand weigeren, beëindigen of intrekken.
12. De rechtbank stelt vast dat verzoekster meerdere keren heeft verzuimd om de juiste informatie te verschaffen en dat zij ook niet is komen opdagen op een uitnodiging voor een gesprek bij de gemeente. Nadat de uitkering van verzoekster is opgeschort, is zij op 3 april 2025 op kantoor gekomen. Handhaving heeft met verzoekster gesproken en heeft vanwege het gesprek een huisbezoek aangekondigd op dezelfde dag. Verweerder heeft geconstateerd dat verzoekster voornamelijk in Arnhem pint. Verzoekster heeft hierover verklaard dat de vader van haar kind in Arnhem woont. Hun dochter is ziek en wordt behandeld in Amsterdam. Ze wil dat vader en kind een band krijgen. Op de vraag hoeveel nachten per week verzoekster in Arnhem verblijft legt verzoekster dubieuze verklaringen af die tegenstrijdig zijn. Eerst verklaart verzoekster dat zij niet bij de vader van haar dochter verblijft, maar bij een vriendin waar zij het adres niet van weet. Later in de aanvullende gronden van bezwaar verklaart verzoekster dat zij ongeveer twee a drie dagen per week bij haar vriend, tevens vader van haar kind, sliep.
13. Uit de rapportage van 9 mei 2025 van de handhavingsambtenaren van de gemeente volgt dat tijdens het huisbezoek aan verzoekster is gevraagd om haar telefoonoplader te tonen, maar dit kon zij niet en versprak zich met de woorden: ‘nee, ik heb hier gene oplader, hij ligt in de auto van mn m… vriend’. Verder is geconstateerd dat op het inschrijfadres nauwelijks kinderkleren aanwezig zijn, geen commode, geen babybadje en ook is er geen administratie aanwezig. Verder heeft verzoekster verklaard dat zij geen huisdieren heeft, maar de handhavers hebben wel geconstateerd dat in de woning een krabpaal en twee katten aanwezig waren. Verzoekster wist desgevraagd niet wat er in de lage kast in de woonkamer zit. Ook wist zij niet waar de sleutel van de zolderberging was. De tevens aanwezige nicht van verzoekster gaf verzoekster die sleutel.
14. De voorzieningenrechter is op grond van de hiervoor vermelde waarnemingen van de handhavers en de verklaring van verzoekster van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de woonsituatie van verzoekster en daarmee haar recht op bijstand niet kunnen worden vastgesteld. Verweerder is daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster per 3 april 2025. Op grond hiervan is er geen reden de gevraagde voorziening te treffen.
Conclusie
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat aan verzoekster geen voorschotten aan bijstandsuitkering hoeven worden verstrekt.
16. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.