Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:4589
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Met het besluit van 9 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de auto van eiser laten wegslepen, overbrengen en in bewaring laten stellen omdat de auto van eiser op een parkeerplaats stond die bestemd is voor elektrische voertuigen, terwijl de auto van eiser niet was aangesloten op de laadpaal. De hieraan verbonden kosten van € 373,- heeft verweerder op eiser verhaald.
2. Eiser heeft op 18 maart 2024 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en op15 augustus 2024 een ingebrekestelling gestuurd.
3. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2024 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Met het besluit van 25 augustus 2024 heeft verweerder besloten om geen dwangsom toe te kennen, omdat binnen 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling is beslist op het bezwaarschrift.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling
Toetsingskader
7. Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordeelt, moet eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld worden.
8. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in dat hij moet aangeven op welke specifieke punten hij het niet eens is met het bestreden besluit. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaren.
9. De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak geen beroepsgronden zijn ingediend. Het beroepschrift van 23 augustus 2024 bevat geen inhoudelijke beroepsgronden die zien op het bestreden besluit. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 15 mei 2025 erop gewezen dat het beroepschrift ziet op de ingebrekestelling, maar dat de beslissing op de ingebrekestelling een ander besluit is. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat het voor de rechtbank nu niet duidelijk is waar het beroep op is gericht en aan eiser gevraagd wat hij wil bereiken met zijn beroep. De rechtbank heeft eiser één week de gelegenheid gegeven om te reageren. Op 6 juni 2025 heeft eiser een reactie gestuurd. In deze reactie heeft eiser geen gronden vermeld die zien op het bestreden besluit.
10. Omdat eiser geen gronden heeft ingediend die zien op het bestreden besluit, ook niet na de geboden herstelmogelijkheid, komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie
11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.