Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:4519
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11448504 \ CV EXPL 24-15860
Vonnis van 20 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
procederend in persoon,
gedaagde partij,
en
2 2. [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. R.H.A. ter Huurne,
gedaagde partij.
Partijen worden hierna [eiser] , de VvE en [gedaagde 2] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 december 2024 met bijbehorende producties,
- het bericht van de VvE met daarin haar schriftelijke verweer,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met bijbehorende productie,
- het tussenvonnis van 4 maart 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte wijst de kantonrechter vandaag vonnis.
Feiten
2.1.
[gedaagde 2] heeft schade geleden aan haar woning als gevolg van wateroverlast in een gemeenschappelijk deel van het gebouw waarin de woning zich bevindt. [gedaagde 2] is lid van de VvE. De VvE heeft in dit kader een claim ingediend en vergoed gekregen van haar verzekeraar.
2.2.
[eiser] heeft werkzaamheden verricht in het kader van het herstel van de schade aan de woning van [gedaagde 2] . Op verzoek van de VvE heeft [eiser] haar facturen voor deze werkzaamheden op naam van de VvE gezet. Deze facturen van 27 juni en 15 juli 2024 zijn noch door de VvE, noch door [gedaagde 2] betaald en in deze procedure vordert [eiser] betaling van deze facturen.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van de VvE en [gedaagde 2] tot betaling van € 9.932,-, vermeerderd met rente en kosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op de zitting bleek dat de VvE op 17 april 2025 de factuur van 15 juli 2024, van € 4.297,-, heeft betaald. De resterende hoofdsom die hierna beoordeeld zal worden is € 5.635,-.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij recht heeft op nakoming van de betalingsverplichting die zij met beide gedaagden is overeengekomen. [gedaagde 2] was immers haar opdrachtgever en de VvE heeft nadere afspraken met [eiser] gemaakt en zich aan de betalingsverplichting verbonden.
3.3.
De VvE geeft in haar verweerschrift aan bereid te zijn om tot een compromis te komen en doet hiertoe een voorstel. De VvE heeft verder geen verweer gevoerd.
3.4.
[gedaagde 2] betwist dat zij de facturen moet betalen; volgens haar moet de VvE dat doen. Dit zijn [eiser] en de VvE namelijk overeengekomen nog voor aanvang van de werkzaamheden. Uit de correspondentie tussen [eiser] en de VvE blijkt dat zij zonder [gedaagde 2] een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, waaruit de betalingsverplichting van de VvE voortvloeit.
Beoordeling
4.1.
[eiser] en [gedaagde 2] verschillen van mening over wie moet betalen voor het werk dat [eiser] heeft gedaan. Om hierover te beslissen moet de kantonrechter in de eerste plaats beoordelen wie de overeenkomst heeft gesloten met [eiser] voor haar werkzaamheden.
Overeenkomst tot stand gekomen tussen [eiser] en de VvE
4.2.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod van de ene partij, en een aanvaarding hiervan door de andere partij (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek).
De kantonrechter oordeelt dat er een overeenkomst gesloten is tussen de VvE en [eiser] . Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Op 11 juni 2024 heeft [eiser] een offerte via Whatsapp aan een bestuurslid van de VvE gestuurd. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat deze offerte zag op de werkzaamheden waarvan zij in deze procedure betaling vordert. Naar aanleiding van deze offerte hebben [eiser] en het bestuurslid diezelfde dag de volgende appberichten uitgewisseld:
Bestuurslid: “Thank you, looks good, I forwarded it to the other board member and the VVE administrator. Only remark I have is that we agreed to a maximum opstelpost for sanitary and tiles of €5500 together, could you include the sanitary and the word maximum in the same sentence?”
[eiser] : “Hi [naam 1] , are we waiting on an official approval or are we good to begin work tomorrow morning?”
Bestuurslid: “Official approval but that’s possible within a day
My fellow board member also pointed out it’s not addressed to the VVE yet at the top
Maybe if you change the above today we can still approve this evening so you can start tomorrow”
[eiser] : “Who is paying [naam 2] ? Will the VVE make the payments or [gedaagde 2] ?”
Bestuurslid: “The Vve
[…]
The other board member agreed, so I’ll send an email what we discussed this evening.”
4.4.
Uit deze correspondentie volgt dat het bestuurslid namens de VvE de offerte van [eiser] heeft goedgekeurd nadat zij om bepaalde aanpassingen hebben verzocht en dat ze zijn overeengekomen dat [eiser] aan de VvE zou factureren en dat de VvE zou betalen. Dit geldt als aanbod en aanvaarding. De VvE heeft ook niet weersproken dat zij gehouden is voor de werkzaamheden van [eiser] te betalen. Bovendien heeft de VvE hier ook naar gehandeld door de factuur van 15 juli 2024 alsnog te betalen.
Geen overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 2]
4.5.
Tussen [eiser] en [gedaagde 2] is geen overeenkomst tot stand gekomen. [eiser] heeft haar stelling dat ook [gedaagde 2] gehouden is te betalen onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft geen opdrachtbevestiging van [gedaagde 2] overgelegd, slechts een offerte die niet is ondertekend. De andere stukken geven ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [gedaagde 2] zich verbonden heeft aan de afspraken en een betalingsverplichting is aangegaan. Dat de werkzaamheden zagen op herstel van haar woning maakt niet dat zij voor de kosten daarvoor aansprakelijk is.
Conclusie
4.6.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eiser] alleen een overeenkomst heeft gesloten met de VvE en niet met [gedaagde 2] . De VvE moet daarom de vordering van
€ 5.635,- betalen. [gedaagde 2] hoeft niets te betalen. De gevorderde rente wordt ook toegewezen.
4.7.
Op de zitting heeft [eiser] naast nakoming ook een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking. Deze grondslag behoeft, gelet op het bovenstaande, geen bespreking.
De VvE moet de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser] betalen
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft een bedrag gevorderd van € 871,60. Gezien de vermindering van de hoofdsom, wijst de kantonrechter een bedrag van € 656,75 toe.
De proceskosten
4.9.
De VvE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,-)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.173,37
4.10.
Ten aanzien van [gedaagde 2] is [eiser] in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten van [gedaagde 2] betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,-)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de VvE om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.635,-, te vermeerderen met € 257,94 aan wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, plus de wettelijke rente over € 9.932,- met ingang van 4 december 2024 tot 17 april 2025, en de wettelijke rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt de VvE om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 656,75 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt de VvE in de proceskosten van [eiser] van € 1.173,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 813,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart onderdelen 5.1 tot en met 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025.