Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:4427
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/760578 / HA ZA 24-1325
Verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 juni 2025, en proces-verbaal van mondelinge uitspraak
in de zaak van
ADVOCATENKANTOOR [eiser] B.V.,
te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. [eiser] ,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ALLIANZ BENELUX N.V.,
te Brussel (België),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. M.P. Vink.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, en mr. P.C.N. van Gelderen als griffier.
Aanwezig zijn:
- mr. [eiser] ,
- [naam] , schadebehandelaar van beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen bij Allianz,
- mr. M.E. van den Berg, kantoorgenoot van mr. Vink,
- mr. M.P. Vink.
De raadslieden lichten de zaak toe. De spreekaantekeningen van mr. [eiser] en mr. Van den Berg worden bij de stukken gevoegd. Mr. [eiser] heeft een samenvatting van zijn spreekaantekeningen voorgehouden. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven en de vragen van de rechter beantwoord.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen en hun advocaten, zakelijk weergegeven, hebben gezegd. Die aantekeningen zijn bij de stukken gevoegd.
Na beraad doet de rechter de volgende mondelinge uitspraak:
1Gronden van de beslissing
Tussen partijen is niet in geschil dat verzekeraar verplicht is tot uitkering van de in de dagvaarding onder 31 genoemde bedragen tot een totaal van € 8.327,36.
Allianz heeft verder aangegeven bereid te zijn kosten van verweer tot een bedrag van € 3.780,93 te vergoeden uit coulance. De rechtbank gaat er van uit dat zij hiertoe nog steeds toe bereid is.
[eiser] vordert de volledige kosten van verweer. De verzekeraar heeft deze afgewezen, met een beroep op artikel 3.3. van de polisvoorwaarden, omdat deze niet met toestemming van de verzekeraar zijn gemaakt. De verzekeraar heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat er geen dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering bestond, zodat [eiser] de kwestie naar eigen inzicht diende af te handelen. Dat dit standpunt gelijk moeten worden gesteld met toestemming, althans dat op het toestemmingsvereiste in deze situatie geen beroep kan worden gedaan, zoals [eiser] betoogt, kan niet worden gevolgd. Immers ook als dekking zou hebben bestaan, stond het de verzekeraar vrij om al dan niet toestemming te geven voor kosten van verweer.
[eiser] beroept zich op de contra proferentem-regel en stelt dat het beding onduidelijk zou zijn en in zijn voordeel moet worden uitgelegd. De rechtbank acht het beding niet onduidelijk, zodat de contra proferentem-regel geen toepassing vindt.
[eiser] heeft zich subsidiair ten aanzien van de incidenten nog beroepen op artikel 7:957 BW inzake beredderingskosten en op artikel 3.4 van de polis inzake kosten ter voorkoming van schade.
Dit verweer gaat alleen op indien de geleden schade onder de verzekeringsdekking valt. De verzekeraar heeft gesteld dat de gevorderde schade voor 92% bestond uit een vordering tot terugbetaling van het betaalde honorarium. [eiser] stelt daartegenover dat de vordering niet berustte op terugvordering van honorarium, maar dat de schade toevallig op het bedrag van het honorarium was gesteld. De rechtbank stelt vast dat de vordering van Keppel, zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 december 2021 in rov. 2.4, te weten een vordering van € 57.059,50 voor het grootste deel bestond uit aan [eiser] betaalde declaraties. De declaratievorderingen zijn afgewezen, de overige vorderingen heeft de rechtbank toegewezen. Hier stuit het verweer van [eiser] op af. Voor zover al zou kunnen worden gezegd dat de incidenten zijn ingesteld teneinde de gevorderde schade af te weren, geldt dat die schade hoofdzakelijk bestond uit niet-verzekerde schade. Dit betekent dat het door de verzekeraar aangeboden percentage van 10% van de kosten van verweer in ieder geval voldoende is.
Het voorafgaande leidt tot toewijzing van de door verzekeraar al eerder aangeboden bedragen van € 8.327,36 en € 3.780,93. [eiser] wordt in de kosten veroordeeld, omdat de proceskosten onnodig gemaakt zijn. De wettelijke rente wordt toegewezen, met ingang van 14 dagen na heden, omdat verzekeraar wel bereid was te betalen, maar het aanbod daartoe is afgewezen, en verzekeraar dus niet in verzuim is geraakt.
De voorgaande mondelinge uitspraak leidt tot de volgende beslissing.
De proceskosten van Allianz worden begroot op:
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.495,00
Dictum
De rechtbank
2.1.
veroordeelt Allianz om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.108,29, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 dagen na heden, tot de dag van volledige betaling,
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
2.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter en de griffier,