Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:4361
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,515 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3492
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigden: mr. F.R.G. Keijzer en mr. A.F. Malikzada),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand.
2. Eiseres heeft op 19 maart 2024 om bijzondere bijstand gevraagd in verband met een verhuizing. Eiseres heeft in totaal om € 6.375,41 gevraagd, bestaande uit € 0,- voor verhuiskosten, € 1.046,41 voor de eerste huur en waarborgsom en € 5.329,- voor inrichtingskosten.
3. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder is bij het eerdere afwijzingsbesluit gebleven. Eiseres heeft geen recht op bijzondere bijstand omdat een deel van de kosten zich niet voordoen en omdat er een voorliggende voorziening is, namelijk een lening van € 2.202,34 bij de Kredietbank Amsterdam, die passend en toereikend wordt geacht.
4. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigden en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Eerste huur en waarborgsom
8. Als er om bijzondere bijstand wordt gevraagd, moet allereerst worden bepaald of de kosten waarvoor om bijstand wordt gevraagd zich voordoen.
9. Eiseres heeft op 19 maart 2024 bijzondere bijstand aangevraagd. Zij had de eerste huur en waarborgsom (€ 1.046,41) echter al op 2 februari 2024 voldaan. Als de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend nadat de kosten al zijn betaald, dan doen de kosten zich niet voor. Daarmee kan er voor deze kostenpost geen bijzondere bijstand worden gegeven.
10. Eiseres stelt dat de kosten weliswaar al vóór de aanvraag waren betaald, maar met geleend geld. Daarmee doen de kosten zich nog steeds voor.
11. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat eiseres de eerste huur en waarborgsom met geleend geld heeft betaald. Uit de door eiseres overgelegde bankafschriften volgt namelijk dat zij dit bedrag vanaf haar eigen bankrekening (bovenaan staat: ‘ [eiseres] ’) op 2 februari 2024 heeft overgemaakt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat als eiseres deze kostenpost wél met geleend geld had betaald, haar aanvraag betrekking had gehad op de aflossing van een schuld en daarvoor wordt geen bijzondere bijstand gegeven. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Daarvan is in dit geval niet gebleken.
Inrichtingskosten
12. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de inrichtingskosten ook al waren voldaan en zich daarom niet meer voordoen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet duidelijk uit het dossier blijkt. De rechtbank kan uit het dossier ook niet onomstotelijk opmaken dat deze kosten zich wel voordoen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de inrichtingskosten zoals deze zijn genoemd in de aanvraag, zich voordoen.
13. Er bestaat echter geen recht op bijstand als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
14. De aanvraag van eiseres voor een lening bij de Kredietbank Amsterdam is op 25 maart 2024 goedgekeurd. Zij heeft een lening van € 2.202,34 gekregen. Daarmee is er sprake van een voorliggende voorziening.
15. Als de aanvrager van bijzondere bijstand meent dat de voorliggende voorziening niet passend of toereikend is, ligt het op haar weg om dit aannemelijk te maken. De enkele stelling van eiseres dat de voorliggende voorziening niet passend en toereikend is omdat de aanvraag zag op een hoger bedrag dan waarvoor de lening is toegekend, is daarvoor niet voldoende en vindt de rechtbank, gelet op de opgave van kosten in de aanvraag ook niet aannemelijk. Dat eiseres bij de inrichting van haar woning keuzes heeft gemaakt die met de lening niet worden gedekt, heeft verweerder dan ook terecht voor haar rekening gelaten.
De hardheidsclausule
16. Subsidiair heeft eiseres een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
17. Verweerder heeft beleidsregels opgesteld om aanvragen om bijzondere bijstand te beoordelen. In deze beleidsregels is ook een hardheidsclausule opgenomen. Hieruit volgt dat verweerder, in afwijking van de beleidsregels, bijzondere bijstand kan verlenen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
18. Eiseres had vanwege medische redenen een indicatie om te verhuizen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Haar aanvraag vanuit de Wmo is echter afgewezen omdat zij is verhuisd naar een woning die niet aan de in de indicatie gestelde eis voldeed. Eiseres heeft toegelicht dat zij, gelet op haar medische toestand, akkoord is gegaan met een woning die niet aan deze eis voldeed. Deze woning was weliswaar op de eerste verdieping, terwijl de eis was dat zij zou verhuizen naar een woning op de begane grond of met lift, maar de trap was breed genoeg voor een traplift. Eiseres stelt alle mogelijkheden te hebben uitgeput en dan dient de Participatiewet als vangnet. Als haar aanvraag op grond van de Participatiewet ook wordt afgewezen, dan valt zij tussen wal en schip.
19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de situatie van eiseres in redelijkheid geen aanleiding hoefde te zien om met toepassing van de hardheidsclausule de bijzondere bijstand te verstrekken. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie dusdanig afwijkt van andere bijstandbehoevenden, waarbij sprake is van een noodzakelijke verhuizing. De rechtbank overweegt dat uit het door eiseres overgelegde advies van het Indicatie en Adviesbureau van 23 maart 2023 blijkt dat eiseres bekend was met haar aandoening en dat zij al jaren klachten ervaarde. Op basis van dit advies volgde op 27 maart 2023 de indicatie op grond van de Wmo. Vanaf dat moment wist eiseres dat er een verhuizing aanstaande was en had zij hiervoor moeten gaan sparen. Indien eiseres van mening is dat de aanvraag vanuit de Wmo ten onrechte is afgewezen, moet zij dit in de procedure tegen deze afwijzing aan de orde stellen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoe vervelend ook voor eiseres, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de gevolgen van een afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand onevenredig uitpakken voor eiseres.
Conclusie
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
De rechter is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet.
Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2508, r.o. 4.3.1.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9452.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.
Artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1694, r.o. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2226.
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam.
Artikel 11 van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam.