Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-14
ECLI:NL:RBAMS:2025:4335
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,086 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.392759.24 (zaak A), 13.039085.25 (zaak B) en 13.088343.25 (zaak C)
Datum uitspraak: 14 april 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [adres] .
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 31 maart 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Wiedeman naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [persoon 3] , IFA-coach van verdachte, en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Ook was aanwezig [persoon 4] , vertegenwoordiger van [naam 1] B.V., die namens de benadeelde partij N.V. [verzekeringsbedrijf] (hierna: [verzekeringsbedrijf] ) een vordering benadeelde partij heeft overgelegd.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
openlijke geweldpleging op 11 november 2024 te Amsterdam tegen personen, te weten een persoon (aangifte onder nummer [nummer 2] ), een politieagent ( [nummer 1] ), een chauffeur en inzittenden van een bus (R-net), een bestuurder en conducteur van een tram (GVB), en tegen goederen, te weten een restaurant ( [naam 2] ), een bus (R-net), een tram (GVB) en een bestelwagen;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het voorhanden en/of opgeslagen hebben van knalvuurwerk/ professioneel vuurwerk op 17 december 2024 te Amsterdam;
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een boksbeugel en een (nep) vuurwapen op 17 december 2024 te Amsterdam;
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een (blank) wapen, te weten een mes, op 17 december 2024 te Amsterdam;
Zaak B:
heling van een elektrische fiets op 4 februari 2025 te Amsterdam;
Zaak C:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
belediging van ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] op 21 maart 2025 te Amsterdam;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het opzettelijk dragen van een onderscheidingsteken en/of het verrichten van een daad behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde door een politieshirt/politie-uniform te dragen op 21 maart 2025 te Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging op 11 november 2024 te Amsterdam. Het geweld is gepleegd door een groep waar verdachte onderdeel van was. Daarnaast heeft verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het geweld geleverd door te schoppen en te slaan richting de persoon die aangifte heeft gedaan onder nummer [nummer 2] (hierna: aangever [nummer 2] ). Het geweld heeft in een zeer kort tijdsbestek plaatsgevonden en is als één opvolgend geheel – en in dit geval als één (strafbaar) feitencomplex – te zien. Dit maakt dat verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk is voor de handelingen die niet hij, maar andere leden van de groep hebben gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte verzoekt hem partieel vrij te spreken van alle handelingen op de tenlastelegging anders dan de mishandeling ten aanzien van de aangever [nummer 2] . Er is niet telkens sprake geweest van één en dezelfde groep, waardoor niet al het geweld zoals opgenomen in de tenlastelegging aan verdachte kan worden toegerekend. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat verdachte zich na de mishandeling nog tussen de rellende menigte heeft begeven, laat staan dat hij daar enige handelingen heeft verricht die kwalificeren als een wezenlijke of significante bijdrage aan de verdere geweldpleging.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat op grond van bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Openlijke geweldpleging
Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van geweld en daaraan een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ heeft geleverd. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen. De enkele omstandigheid dat de verdachte aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 11 november 2024 sprake is geweest van openlijke geweldpleging, rondom en op Plein ’40-’45 . De openlijke geweldpleging bestond uit verschillende incidenten die elkaar in relatief korte tijd hebben opgevolgd, te weten brandstichting bij restaurant [naam 2] , vernieling van een bestelwagen, mishandeling van een man, vernieling van een R-net bus, vernieling van een tram en mishandeling van een motoragent.
Bijdrage verdachte
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte hieraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aanwezig was op Plein ’40-’45 en daar geweldshandelingen heeft gepleegd. Dit heeft verdachte bekend en dit blijkt ook uit de overige bewijsmiddelen. Verdachte heeft verklaard dat hij zowel heeft geschopt als geslagen tegen en richting aangever [nummer 2] . De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geleverde bijdrage aan het openlijk geweld tegen aangever [nummer 2] van voldoende gewicht is. Uit voornoemde geweldshandelingen volgt dat verdachte opzet heeft gehad op de openlijke geweldpleging bestaande uit openlijk geweld tegen aangever [nummer 2] .
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich op 11 november 2024 schuldig heeft gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen een persoon, op Plein ’40-’45 in Amsterdam.
Partiële vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte betrokken is geweest en/of een significante bijdrage heeft geleverd bij de overige ten laste gelegde geweldplegingen.
Verdachte heeft verklaard dat hij na de mishandeling van aangever [nummer 2] naar huis is gegaan. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte tijdens de overige ten laste gelegde geweldshandelingen nog aanwezig was op of rondom Plein ’40-’45 of de Slotermeerlaan en onderdeel uitmaakte van de groep die daar het openlijk geweld pleegde. Deze geweldshandelingen vonden weliswaar in een kort tijdsbestek rondom hetzelfde plein plaats, het feit dat verdachte deelnam aan één van de geweldshandelingen (de mishandeling) is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van het leveren van een significante bijdrage aan de overige tenlastegelegde geweldshandelingen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken, namelijk van de openlijke geweldpleging tegen een politieagent ( [nummer 1] ), een chauffeur en inzittenden van een bus (R-net), een bestuurder en conducteur van een tram (GVB), en van de openlijk geweldpleging tegen goederen, te weten een restaurant ( [naam 2] ), een bus (R-net), een tram (GVB) en een bestelwagen.
ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde:
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2, feit 3 en feit 4 in zaak A gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het in zaak A ten laste gelegde vuurwerkbezit en herhaalde wapenbezit wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft de feiten bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.
Zaak B
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring in zaak B gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de in zaak B ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Zaak C
Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het in zaak C onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de in zaak C onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde belediging van een ambtenaar in functie en het opzettelijk dragen van een onderscheidingsteken behorende tot een ambt dat hij niet bekleedt wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft de feiten (deels) bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.
Motivering
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een leerstaf en een werkstraf. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de leerstraf TACt regulier (35 uren) en een werkstraf voor de duur van 45 uren worden opgelegd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar, en dat daaraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht overeenkomstig het advies van de Raad te komen tot het opleggen van een leerstraf. De verdediging kan zich verenigen met de bijzondere voorwaarden die genoemd worden in het Raadsadvies.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Op 11 november 2024 hebben er rellen plaatsgevonden op en rondom Plein ’40-’45 . Tijdens de rellen heeft een grote groep van bijeengekomen jongeren in een kort tijdsbestek veel en redeloos geweld gebruikt. Dit geweld heeft zich zowel tegen goederen als personen gericht. De rechtbank acht de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging zeer ernstig en kwalijk. Nu deze plaatsvond slechts enkele dagen na de rellen rond de wedstrijd Ajax – Maccabi Tel Aviv was de maatschappelijke impact van het geweld en het groepsgedrag extra groot. Dergelijke delicten versterken de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, zeker nu alle incidenten gepleegd zijn in de openbare ruimte en in het zicht van omstanders. Verdachte heeft bijgedragen aan deze gewelddadige situatie door in de ontstane chaos openlijk geweld te plegen tegen een persoon. Het ging nota bene om iemand die juist probeerde te verhinderen dat het geweld verder zou escaleren. Dat maakt het door verdachte gepleegde geweld extra kwalijk en zinloos. Dat dit veel impact heeft gehad volgt duidelijk uit de verklaring van het betrokken slachtoffer.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een mes en verschillende soorten professioneel vuurwerk. Het ongecontroleerde bezit van wapens en professioneel vuurwerk brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen en goederen mee. Het stijgend aantal slachtoffers van (vuur)wapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak van een krachtig optreden hiertegen.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Dit brengt veel overlast voor de
betrokkenen met zich mee. Daarnaast wordt door opzetheling het plegen van andere vermogensdelicten zoals diefstal bevorderd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hieraan heeft bijgedragen.
Tot slot heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het opzettelijk dragen van een onderscheidingsteken van de politie, te weten een op een politieshirt gelijkend t-shirt, terwijl hij geen ambt bij de politie bekleedt. Het belang van het door de verdachte geschonden wettelijk voorschrift is gelegen in de bescherming tegen het onbevoegd uitoefenen van een ambt dat hij niet bekleedt. Bovendien heeft verdachte zich, toen hij hiervoor werd aangehouden, schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Dergelijk gedrag jegens politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden getuigt van een kwalijk gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 maart 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de volgende rapportages over verdachte:
het rapport van de Raad, opgemaakt op 28 maart 2025;
de evaluatie van JBRA, opgemaakt op 25 maart 2025.
Ter zitting heeft de Raad gepersisteerd bij het ingediende advies, inhoudende dat aan verdachte een taakstraf in de vorm van een leerstraf (TACt Regulier) en een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf aan verdachte wordt opgelegd met daaraan verbonden voorwaarden. Een avondklok is volgens de Raad noodzakelijk omdat verdachte gebaat is bij strakke kaders. Dat is duidelijk naar voren gekomen tijdens de schorsingsperiode.
De deskundige vanuit JBRA heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad. Verdachte laat een positieve ontwikkeling zien binnen de strakke kaders. Medicatie is nog een onderwerp van gesprek en daarnaar wordt nader onderzoek gedaan. Moeder staat open voor de hulpverlening en is goed in de samenwerking. De strakke kaders vragen wel veel van haar.
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding daartoe, gezien de bewezen geachte feiten en het feit dat verdachte first offender is. Bovendien komen uit de gegeven adviezen veel contra indicaties naar voren ten aanzien van het opleggen van een jeugddetentie. Een verblijf in een justitiële jeugdinrichting lijkt eerder een risico op recidive te vormen, dan dat het ten goede komt aan de maatschappij en de ontwikkeling van verdachte.
Conform de eis van de officier van justitie zal de rechtbank aan verdachte de leerstraf in de vorm van TACt Regulier (35 uren) opleggen, zodat verdachte zijn vaardigheden kan vergroten. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van 25 uren, met aftrek van voorarrest, aan verdachte opleggen.
De rechtbank ziet aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur op te leggen. De rechtbank zal, ter verkleining van de kans op recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, bijzondere voorwaarden opleggen. Gebleken is immers dat verdachte veel baat heeft bij kaders en structuur, nu hij zich positief heeft ontwikkeld tijdens de schorsingsperiode. De rechtbank zal de geadviseerde voorwaarden daarom overnemen, waaronder ook de avondklok. Verdachte kan zo samen met de hulpverlening en zijn moeder stapsgewijs toewerken naar meer vrijheden.
9De benadeelde partijen
Zaak A
Ten aanzien van benadeelde partij ZD03 - [nummer 2]
De benadeelde partij ‘ZD03 – [nummer 2] ’ vordert € 2.650,44 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
In eerder vonnis tegen een medeverdachte was geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade onvoldoende was onderbouwd. De officier van justitie sluit zich bij dat oordeel aan. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze geheel moet worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het anoniem indienen van een vordering door een benadeelde partij moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van die benadeelde partij. De wet biedt deze mogelijkheid niet. Anoniem procederen past volgens de verdediging ook niet bij de systematiek van het Wetboek van Strafvordering en de belangen van de verdediging zouden worden geschaad als dit wel zou worden toegestaan. De raadsvrouw verzoekt dan ook de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de materiële schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd, omdat niet te achterhalen is wie die stukken heeft ingediend. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de raadsvrouw de rechtbank deze te matigen. De raadsvrouw verzoekt om af te zien van hoofdelijke aansprakelijkheid, zodat verdachte geen contact hoeft te hebben met de medeverdachten.
Beoordeling
Anonimiteit
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het mogelijk is dat een ‘anonieme’, slechts onder nummer bekende, benadeelde partij een vordering indient.
Sinds 1 oktober 2012 bestaat de mogelijkheid om aangifte onder nummer te doen. Deze mogelijkheid is bedoeld voor het slachtoffer voor wie het van belang is anonimiteit te bewaren.
Een benadeelde partij kan zich ter zake van zijn of haar vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces door gebruikmaking van een door de Minister van Justitie en Veiligheid vastgesteld formulier (art. 51g, eerste lid, Sr). Onder de rubriek 1A van dat formulier dient een benadeelde partij, als het gaat om een natuurlijk persoon, in te vullen: zijn voornaam, achternaam en geboortedatum. Hier doet zich de situatie voor dat de benadeelde partij slechts het nummer heeft ingevuld waaronder hij als aangever anoniem aangifte heeft gedaan. Anders dan door de raadsvrouw betoogd, is de rechtbank van oordeel dat deze wijze van invullen van het schadevergoedingsformulier in dit geval niet aan de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de weg staat.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet zo dat verdachte in het algemeen in zijn verdedigingsrechten is geschaad doordat hij de naam en geboortedatum van de benadeelde partij niet kent. Voor zover dat belang gelegen zou zijn in het controleren of de benadeelde partij dezelfde persoon is als de aangever, biedt het systeem van voeging van een benadeelde partij immers voldoende waarborgen. Naast het voegingsformulier dat in het dossier komt, moet de benadeelde immers nog een tweede formulier aan de officier van justitie toezenden, waarop alle persoonsgegevens wel staan ingevuld. Nu de volledige persoonsgegevens van de aangever ook bekend zijn bij de officier van justitie, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat dit één en dezelfde persoon is. De rechtbank gaat er vanuit dat indien er een discrepantie zou bestaan tussen de gegevens van de benadeelde partij en die van de aangever, de officier van justitie het schadevergoedingsformulier niet in het strafdossier zou voegen.
Evenmin is gebleken dat de verdachte in het onderhavige geval door de geanonimiseerde wijze van indiening ten aanzien van specifieke schadeposten in zijn verdediging is geschaad. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verschillende schadeposten ook niet onderbouwd op welke wijze, en in welke mate, de verdedigingsbelangen hierdoor zouden zijn geschaad. De enkele stelling dat de anonimiteit van de benadeelde partij leidt tot het schaden van belangen is onvoldoende. De rechtbank zal daarom de vordering hierna inhoudelijk beoordelen.
Ten aanzien van de materiële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hem, door het in zaak A onder feit 1 bewezenverklaarde, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verdachte heeft de vordering echter inhoudelijk betwist. Hoewel aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden, is de rechtbank van oordeel dat de omvang hiervan onvoldoende is onderbouwd. Er zijn geen bonnen of andere bewijsstukken overgelegd ten aanzien van de gestelde schade. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De behandeling van de vordering levert voor dit deel dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het materiële deel van zijn vordering. Hij kan het materiële deel van zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de immateriële schade
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Het slachtoffer heeft lichamelijk letsel opgelopen, en ook de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat verdachte met een grote groep geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, terwijl tegelijkertijd aan alle kanten om hen heen sprake was van uiteenlopende rellen, vernielingen en geweld. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat het handelen van verdachte een dermate grote impact op het slachtoffer heeft gehad dat sprake is van een aantasting in de persoon. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vordering.
De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.000,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken en zal het bedrag hoofdelijk toewijzen. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering
In het belang van de benadeelde ZD03 – [nummer 2] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
Ten aanzien van benadeelde partij [verzekeringsbedrijf]
De benadeelde partij heeft – kort gezegd – schade gevorderd. Nu verdachte partieel is vrijgesproken van het in zaak A onder feit 1 ten laste gelegde, wordt voornoemde benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
10Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
4 STK vuurwerp, Omschrijving: PL1300-2024271444-6603724;
STK vuurwerp, Omschrijving: PL1300-2024271444-6603725;
1 STK vuurwerp, Omschrijving: PL1300-2024271444-6603726;
1 STK wapen, Omschrijving: PL1300-2024271444-G6595327, naboots vuurwapen, Walther p99 opdruk;
1 STK wapen, Omschrijving: PL1300-2024271444-G6595323, boksbeugel;
1 STK mes, Omschrijving: PL1300-2024271444-G6595319, Survivor.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van voornoemde in beslag genomen voorwerpen. De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van een telefoon de teruggave te gelasten.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bewezenverklaarde in zaak A onder feit 2, feit 3 en feit 4 daarmee is begaan. De rechtbank kan geen beslissing nemen ten aanzien van de door de raadsvrouw genoemde telefoon, omdat deze niet op de beslaglijst is opgenomen.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de volgende wetsartikelen:
artikelen 36b, 36d, 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 196, 266, 267 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
artikel 1.2.2. Vuurwerkbesluit;
artikel 9.2.2.1 Wet Milieubeheer.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4, in zaak B en in zaak C onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie;
Zaak B
opzetheling;
Zaak C
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
opzettelijk onderscheidingstekens dragen of een daad verrichten behorende bij een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij is geschorst;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf, TACt Regulier, voor de duur van 35 (vijfendertig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de leerstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 65 (vijfenzestig) uren met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 32 (tweeëndertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf groot 40 (veertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde een positieve dagbesteding behoudt en volgens het schoolrooster zijn opleiding zal volgen en dit waar mogelijk positief afsluit;
dat veroordeelde zal meewerken aan psychodiagnostisch onderzoek;
dat veroordeelde zal meewerken aan het continueren van de IFA-coach;
dat veroordeelde zal meewerken aan aanvullende hulpverlening en behandeling die Jeugdbescherming Regio Amsterdam noodzakelijk acht;
dat veroordeelde zal meewerken aan het vinden en behouden van positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van sport en/of een bijbaan
dat veroordeelde zich vanaf 19.00 uur tot 07.00 uur dagelijks in de ouderlijke woning zal bevinden. Uitzonderingen op de avondklok zijn alleen toegestaan na overleg en schriftelijke goedkeuring door Jeugdbescherming regio Amsterdam. De avondklok loopt tot en met 14 juli 2025.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Vorderingen tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de persoon onder nummer ZD03 - [nummer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de persoon ZD03 - [nummer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van de persoon ZD03 - [nummer 2] ter hoogte van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro). Voornoemd bedrag bestaat uit immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij ZD03 – [nummer 2] ten aanzien van de materiele schade en het overige van de immateriële schade niet-ontvankelijk is.
Bepaalt dat de benadeelde partij [verzekeringsbedrijf] in zijn vordering niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 11 november 2024 te Amsterdam, openlijk, te weten op Plein ‘40-’45, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten:
- een persoon, aangifte onder nummer [nummer 2] ,
welk geweld bestond uit
- het slaan en schoppen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd van een persoon, aangifte onder nummer [nummer 2] , ter hoogte van de [naam winkel] en het gooien van een voorwerp naar diens hoofd;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 17 december 2024 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk,
- twee verpakkingen knalvuurwerk, Scream 100, en
- één stuk knalvuurwerk, Cobra 6, en
- meerdere verpakkingen, nitraten, een hoeveelheid van 0,06 kg,
professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
op 17 december 2024 te Amsterdam,
- een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en
- een nepvuurwapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek, type Walther P99, dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, voorhanden heeft gehad;
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
op 17 december 2024 te Amsterdam, een blank wapen van categorie IV onder 1° van de Wet Wapens en Munitie, te weten een mes, waarvan het lemmet meer dan één snijkant heeft, voorhanden heeft gehad;
Zaak B
op 4 februari 2025 te Amsterdam, een elektrische fiets heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Zaak C
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 21 maart 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, eenheid Amsterdam en [verbalisant 2] , aspirant, eenheid Amsterdam en [verbalisant 3] , aspirant, eenheid Amsterdam en [verbalisant 4] , aspirant, eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hun de woorden toe te voegen: "flikkers" en door een middelvinger op te steken;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 21 maart 2025 te Amsterdam, opzettelijk een onderscheidingsteken heeft gedragen behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde door een politieshirt/politie-uniform te dragen.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.