Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:4334
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,980 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/754685 / HA ZA 24-866
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. M.R. de Kok,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. S. Brenninkmeijer.
Partijen worden hierna [eiseres] en Rabobank genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 9 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft een betaalrekening bij Rabobank. Zij heeft ook een hypothecaire financiering en verzekeringen bij Rabobank.
2.2.
Onder de handelsnaam [naam handelszaak] verricht [eiseres] consultancy- en bemiddelingswerkzaamheden.
2.3.
[eiseres] heeft een affectieve relatie gehad met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De relatie is in 2022 beëindigd.
2.4.
[naam 1] drijft samen met onder andere zijn vader, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), een geldwisselkantoor genaamd [bedrijf 1] B.V.
2.5.
Over [bedrijf 1] B.V. is negatieve berichtgeving verschenen in de media, naar aanleiding van een politie-inval, explosies bij diverse panden van [bedrijf 1] B.V. en een daaropvolgend strafrechtelijk onderzoek. [bedrijf 1] B.V., [naam 1] en [naam 2] zijn verdachten in dit onderzoek.
2.6.
Rabobank heeft de bancaire relatie met [bedrijf 1] B.V. op 1 april 2021 opgezegd.
2.7.
Op 22 juni 2023 heeft Rabobank een eerste informatieverzoek gedaan aan [eiseres] . Hierbij heeft zij [eiseres] bevraagd over een aantal transacties op haar rekening en uitgelegd waarom zij een klantonderzoek was gestart.
2.8.
[eiseres] heeft op 18 september 2023 gereageerd op het informatieverzoek van Rabobank.
2.9.
Op 21 september 2023 heeft Rabobank een tweede informatieverzoek gedaan aan [eiseres] .
2.10.
[eiseres] heeft op 2 oktober 2023 gereageerd op de aanvullende vragen van Rabobank en heeft daarbij documenten aangeleverd.
2.11.
Rabobank heeft op 2 november 2023 aan [eiseres] bericht dat de aangeleverde documentatie en verklaringen onvoldoende zijn en deels niet gecontroleerd of geverifieerd konden worden. Het klantonderzoek werd daarbij afgesloten. [eiseres] heeft hierop
op 13 november 2023 gereageerd.
2.12.
Bij de brief van 11 maart 2024 heeft Rabobank de klantrelatie met [eiseres] per 13 mei 2024 beëindigd.
2.13.
Tegen het besluit van Rabobank heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 mei 2024 heeft Rabobank het bezwaar ongegrond verklaard en de beëindiging van de klantrelatie gehandhaafd.
2.14.
[eiseres] is een kort geding gestart tegen Rabobank en heeft, samengevat, gevorderd dat Rabobank werd verboden uitvoering te geven aan de opzegging van de bankrelatie, in ieder geval totdat in de bodemprocedure werd beslist, dat alle bankrekeningen in stand werden gelaten en dat Rabobank werd verboden om persoonsgegevens van [eiseres] op te nemen in het Intern Verwijzingsregister of een ander vergelijkbaar register.
2.15.
Bij vonnis in kort geding van 17 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Rabobank verboden om uitvoering te geven aan de opzegging van de bankrelatie met [eiseres] , Rabobank veroordeeld alle bankrekeningen, betaalpassen en creditcards en internet banking van [eiseres] in stand te laten en uitvoering te geven aan transacties over de rekeningen en Rabobank verboden om de persoonsgegevens van [eiseres] op te nemen in het Intern Verwijzingsregister van Rabobank, al hetgeen in ieder geval totdat de rechtbank in de bodemprocedure zou beslissen.
2.16.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat zichtbaar was dat [eiseres] haar best had gedaan om mee te werken aan het klantonderzoek, maar dat de betreffende transacties bij Rabobank vragen hadden opgeroepen en dat die zorgen door [eiseres] slechts in beperkte mate waren weggenomen. Omdat niet uit te sluiten viel dat [eiseres] in de bodemprocedure met een nadere uitleg en onderbouwing deze zorgen alsnog zou kunnen wegnemen, zag de voorzieningenrechter geen noodzaak om in kort geding op de bodemprocedure vooruit te lopen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Rabobank verbiedt de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen, althans Rabobank beveelt de bankrelatie te herstellen en te continueren door het ongewijzigd aanbieden van de dienst die vóór de opzegging van de bankrelatie door Rabobank aan [eiseres] werd verleend;
voor recht verklaart dat de opzegging van de bankrelatie onrechtmatig was omdat die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was;
Rabobank beveelt dat zij de registratie van persoonsgegevens van [eiseres] in het Intern Verwijzingsregister, dan wel in enig ander register, ongedaan maakt op een dergelijke wijze dat [eiseres] geen nadelige gevolgen ondervindt van die registratie bij het verkrijgen of continueren van financiële diensten en/of financiële producten;
Rabobank veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiseres] heeft aan haar vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. Het gebruik van Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het door Rabobank verrichte klantonderzoek heeft haar in staat gesteld om de herkomst van transacties te verifiëren. Rabobank kan niet aannemelijk maken dat sprake is van een acuut en onacceptabel gevaar voor illegale activiteiten als bedoeld in de Vierde Witwasrichtlijn. [eiseres] heeft groot belang bij behoud van haar relatie met Rabobank om ‘unbankability’ te voorkomen.
3.3.
Rabobank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
Beoordeling
Toetsingskader
4.1.
Op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 BW). Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht die volgt uit artikel 2 ABV, waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor rekeninghouders wordt meegewogen. 4.2. Banken hebben op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Banken moet zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien.
Beëindiging klantrelatie door Rabobank
4.3.
In de opzeggingsbrief van 11 maart 2024 heeft Rabobank opgenomen dat zij het cliëntenonderzoek zoals beschreven in artikel 3 lid 2 Wwft niet heeft kunnen afronden. Rabobank acht zich daarom niet alleen op grond van artikel 35 ABV bevoegd de klantrelatie met [eiseres] te beëindigen, maar hiertoe ook verplicht op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. Hiertoe heeft Rabobank toegelicht dat zij [eiseres] meerdere malen heeft gevraagd om vragen te beantwoorden en documentatie aan te leveren ten aanzien van ongebruikelijke transacties op haar rekening. Volgens Rabobank heeft [eiseres] meerdere vragen onvoldoende beantwoord en heeft zij onvoldoende documentatie aangeleverd, waardoor Rabobank niet heeft kunnen controleren of de verklaringen van [eiseres] juist zijn. Hierdoor acht Rabobank zich niet in staat om te voldoen aan haar verplichtingen in het kader van de Wwft.
4.4.
De ongebruikelijke transacties op de rekening van [eiseres] waarop Rabobank tijdens haar onderzoek stuitte, bestaan uit drie contante stortingen, vijftig transacties met [naam 2] , twee boekingen van [bedrijf 1] B.V. zonder omschrijving en negen transacties met [naam 1] . Hierna zullen de redenen voor opzegging van Rabobank en de toelichting daarop van [eiseres] worden uiteengezet (4.5-4.12).
Negen transacties met de heer [naam 1]
4.5.
Ten aanzien van de negen transacties met [naam 1] in de periode van 28 december 2017-10 juni 2019 van in totaal ruim € 200.000 heeft [eiseres] verklaard dat de gelden afkomstig zijn van haar vader. [eiseres] heeft met haar vader een geldleningsovereenkomst gesloten, die in een notariële akte is vastgelegd. Daarnaast heeft de vader van [eiseres] een schuldbekentenis afgelegd, waarin hij verklaart dat overboekingen vanuit Suriname naar Nederland hoge kosten met zich brachten, waarop [naam 1] aanbood de gelden via zijn rekening over te boeken. Volgens [eiseres] heeft zij met de notariële akte en de schuldbekentenis van haar vader voldoende inlichtingen verschaft over de herkomst van deze gelden.
4.6.
Rabobank vindt dat [eiseres] onvoldoende informatie heeft aangeleverd ten aanzien van deze gelden. Rabobank heeft erop gewezen dat de geldleningsovereenkomst van een latere datum is dan een substantieel aantal van de overboekingen. Zij heeft daarnaast geen bewijs gezien dat het geld van de vader van [eiseres] is overgemaakt naar [naam 1] . Daarbij komt dat [naam 1] een Nederlandse bankrekening had, waardoor onduidelijk is waarom de vader van [eiseres] wel geld kon overmaken naar de Nederlandse bankrekening van [naam 1] en niet naar die van [eiseres] . Ook is gebleken dat de vader van [eiseres] zelf ook een Nederlandse bankrekening heeft, zodat de verklaring over hoge overboekingskosten vanuit Suriname naar Nederland geen hout snijdt.
Twee boekingen van [bedrijf 1] B.V.
4.7.
Op 4 maart 2021 en 27 mei 2021 is in totaal € 3.052,00 vanaf de rekening van [bedrijf 1] B.V. overgeboekt naar de rekening van [eiseres] . [eiseres] heeft toegelicht dat dit bedrag via de privé-betaalrekening van [naam 1] overgeboekt had moeten worden en dat zij dit geld heeft gebruikt voor de aanschaf van een trampoline voor haar kinderen. Daarom is sprake van een vergissing en de overboekingen staan volgens haar niet in verband met de aan [bedrijf 1] B.V. ten laste gelegde feiten.
4.8.
Rabobank betwist dit, omdat enige onderbouwing door [eiseres] ontbreekt.
Contante stortingen
4.9.
Met betrekking tot de contante storting van € 16.230 op 11 oktober 2017, heeft [eiseres] toegelicht dat zij in de periode van 2009 tot en met 2010 gelden heeft gepind en deze heeft bewaard. Daarnaast heeft zij giften van familieleden ontvangen en het totaalbedrag hiervan heeft zij gestort. Rabobank heeft in 2017 geen vragen gesteld over de contante stortingen en [eiseres] heeft na 2017 geen contante stortingen meer gedaan. De stortingen dateren van vóór de negatieve berichtgeving over [bedrijf 1] B.V., zodat het volgens [eiseres] onaannemelijk is dat de stortingen in verband staan met de aan [bedrijf 1] B.V. ten laste gelegde feiten.
4.10.
Volgens Rabobank dateren de contante stortingen inderdaad van vóór de negatieve berichtgeving over [bedrijf 1] B.V., maar gaat die berichtgeving wel over de periode vanaf 2017.
Vijftig transacties met [naam 2]
4.11.
Handelend onder de naam [naam handelszaak] heeft [eiseres] in opdracht van [naam 2] en Surigoud B.V. in de periode van maart 2019 en april 2023bemiddelings- en beheerswerkzaamheden uitgevoerd voor ongeveer
€ 88.000 respectievelijk € 49.000 . Volgens [eiseres] komen de op haar rekening bijgeschreven bedragen overeen met de facturen die zij bij de opdrachtgevers in rekening heeft gebracht. Ter onderbouwing heeft [eiseres] overeenkomsten overgelegd waaruit de tussen [eiseres] en [naam 2] en Surigoud B.V. gemaakte afspraken blijken. Daarnaast wordt in de negatieve berichtgeving over [bedrijf 1] Surigoud niet genoemd en blijkt daaruit niet dat [naam 2] wordt verdacht van witwassen via vastgoed, zodat volgens [eiseres] geen sprake is van enig witwasrisico.
4.12.
Volgens Rabobank komen de facturen van [eiseres] niet volledig overeen met het transactieverkeer. De toelichting van meerdere transacties biedt geen onderbouwing voor betalingen vanuit [naam 2] en Surigoud B.V. Niet voor alle betalingen is een corresponderende factuur verstrekt en ook de omschrijvingen, bedragen en factuurnummers van de facturen komen niet altijd overeen met de boekingen, aldus Rabobank. Daarnaast heeft Rabobank opgemerkt dat deze betalingen op de privérekening van [eiseres] binnenkwamen, terwijl de betalingen op zijn minst deels op zakelijke activiteiten betrekking hadden. Zakelijk gebruik van een privérekening is niet toegestaan. Tot slot heeft Rabobank opgemerkt dat [naam 2] wel degelijk als verdachte is aangemerkt in het strafrechtelijke onderzoek, reden waarom Rabobank hier een risico ziet.
Rabobank mocht relatie met [eiseres] beëindigen
4.13.
De rechtbank acht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, rechter, bijgestaan door mr. J.D. Tameris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.