Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:4274
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,561 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.101267.24
Datum uitspraak: 18 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, economische politierechter, in de zaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2025.
De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Leyten naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 26 juni 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
al dan niet opzettelijk,
gevaarlijke stoffen te weten een hoeveelheid distikstofoxide (UN-nummer 1070), in een vervoermiddel (personenauto) voorzien van kenteken [kentekennummer] over de openbare weg, IJburglaan, heeft vervoerd,
terwijl niet de bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht waren genomen, immers:
- was er geen brandblusapparaat aanwezig in het voertuig (sectienummer 8.1.4 van het ADR) en/of
- was een merkteken met de tekst “WAARSCHUWING GEEN VENTILATIE VOORZICHTIG OPENEN” niet gesteld op de laaddeuren van het voertuig (sectienummer 7.5.11 CV36 van het ADR) en/of
- waren de colli, die distikstofoxide bevatten, niet vastgezet met geschikte middelen die in staat waren om de goederen in het voertuig in bedwang te houden op een wijze die bewegingen die de stand van de colli zouden kunnen wijzigen te voorkomen (sectienummer 7.5.7.1 van het ADR) en/of
- was er geen vervoersdocument, dat alle vervoerde gevaarlijke goederen dekt, meegevoerd in het voertuig (sectienummer 8.1.2.1 a van het ADR) en/of
- was de bestuurder niet opgeleid om gevaarlijke goederen te mogen vervoeren (sectienummer 8.2.3 van het ADR).
3Geen sprake van een vormverzuim
3.1
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er zowel een onrechtmatige staandehouding als een onrechtmatige doorzoeking van het voertuig heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is op welke grondslag het voertuig is doorzocht. De raadsvrouw betoogt daarnaast dat artikel 23 WED weliswaar een grondslag biedt om een voertuig te onderzoeken op lading maar dat daaronder niet wordt verstaan het doorzoeken van het voertuig zoals dat hier heeft plaatsgevonden. De raadsvrouw verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een conclusie van de advocaat-generaal, gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:517.
Deze vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv moeten volgens de raadsvrouw leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak.
3.2
Standpunt openbaar ministerie
De officier van justitie gaat uit van een rechtmatige staandehouding en een rechtmatige doorzoeking op grond van artikel 23 WED. Het is duidelijk dat het voertuig onderzocht is om te contoleren op de aanwezigheid van lachgas.
3.3
Beoordeling
Staandehouding rechtmatig
Uit het dossier blijkt dat opsporingsambtenaren een voertuig zien rijden waarvan de bestuurder jonger oogt dan de leeftijd van de eigenaar van de auto. Daarop heeft een staandehouding plaatsgevonden op basis van de Wegenverkeerswet en is het rijbewijs gevorderd. Daarmee is de staandehouding rechtmatig.
Grondslag onderzoek aan de auto
Verbalisanten zien vervolgens dat de auto waarin verdachte rijdt geregistreerd staat en dat bij een eerdere staandehouding van die auto lachgas bij de bestuurder is aangetroffen. Dit was aanleiding voor de opsporingsambtenaren om het voertuig te willen onderzoeken. De economische politierechter stelt vast dat niet geverbaliseerd is op welke wettelijke grondslag het onderzoek plaatsvindt.
Anders dan de verdediging vindt de economische politierechter wel dat voldoende duidelijk is dat het onderzoek plaats vindt om te controleren of verdachte lachgas vervoert. Daarvoor acht zij het volgende citaat uit het proces verbaal van bevindingen van belang:
Ik, verbalisant [verbalisant] , zei tegen [verdachte] dat ik een onderzoek wilde instellen in zijn voertuig omtrent het vervoer van lachgas. [verdachte] keek mij aan en vroeg "hoezo wil je een onderzoek instellen naar lachgas. Ik vervoer toch niks." Ik vroeg nogmaals aan [verdachte] of hij op dit moment Überhaupt goederen in de auto lagen die niet zijn toegestaan zoals wapens, drugs, geld. Hierop reageerde [verdachte] : "Hoezo moet je nu gaan zien voor lachgas?" Ik [verbalisant] zei: "Ja precies, omdat je dat niet mag vervoeren." Ik zag en hoorde [verdachte] verklaren: "Ja maar ik vervoer het niet." Hierop zei ik: " Ja dat ga ik dus checken of je dit vervoerd." Hierop zag en hoorde ik [verdachte] verklaren: "Ja maar je mag toch niet zomaar in mijn auto kijken?" Hierop zei ik dat het wel mocht. [verdachte] : "Hoezo een registratie met lachgas?" [verbalisant] : "Ik heb geen idee, het staat wel gemuteerd."
Het feit dat daarnaast ook wordt gevraagd of verdachte drugs of andere verboden goederen vervoert doet daar niet aan af.
De omstandigheid dat voldoende duidelijk was met welk doel de opsporingsambtenaren het voertuig wilden onderzoeken maakt dat het niet vermelden van de wettelijke grondslag in het proces-verbaal geen vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv.
Er was een wettelijk bevoegdheid voor het onderzoeken van het voertuig
De verbalisanten mochten in het kader van hun opsporingstaak het voertuig onderzoeken en controleren op voorschriften van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit is een wettelijke controlebevoegdheid die is vastgelegd in artikel 23 WED. Nu er een melding was van eerder lachgasvervoer met deze auto (en ten aanzien van deze bestuurder) was het onderzoek van (de lading van) het voertuig redelijkerwijs nodig ter vervulling van de opsporingstaak van de opsporingsambtenaren. Daarmee is voldaan aan het criterium dat neergelegd is in artikel 23 WED.
De feitelijke onderzoekshandelingen aan het voertuig vielen binnen de reikwijdte van artikel 23 WED
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de handelingen van de opsporingsambtenaren vallen binnen de reikwijdte van het begrip onderzoeken van (de lading van) een vervoermiddel als bedoeld in de eerste twee leden van artikel 23 WED.
Het eerste en tweede lid van artikel 23 WED luiden:
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Zij zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd op hun lading te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
De advocaat-generaal concludeert in de door de raadsvrouw aangehaalde conclusie dat op grond van artikel 23 WED opsporingsambtenaren een verdergaande bevoegdheid hebben dan zoekend rondkijken. De advocaat-generaal leidt dat af uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 23 WED. Tevens concludeert de advocaat-generaal dat de bevoegdheid om een voertuig te onderzoeken niet zo ver reikt dat het voertuig en de lading kan worden door doorzocht; er is expliciet gekozen voor het woord onderzoeken en niet voor doorzoeken. Opsporingsambtenaren mogen op grond van artikel 23 WED dus meer doen dan zoekend rondkijken maar minder dan doorzoeken.
In de zaak waarin de advocaat-generaal heeft geconcludeerd was het optillen van de bodemplaat van de kofferbak geoorloofd op grond van artikel 23 WED. Mede in dat licht bezien is de economische politierechter van oordeel dat de minder vergaande handelingen van de opsporingsambtenaren in deze strafzaak ook geoorloofd zijn op basis van artikel 23 WED. Daarbij weegt mee dat in deze strafzaak de tassen waar de lachgasflessen in zaten (na het openen van de kofferbak) in het zicht lagen terwijl dat in de casus van de conclusie van de advocaat-generaal niet het geval was.
Uit het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren in deze zaak blijkt immers dat de opsporingsambtenaren de deuren van het voertuig hebben geopend, de kofferbak hebben geopend en de transporttassen van Thuisbezorgd en Ubereats die daarin lagen hebben geopend. Eveneens is er een handdoek verplaatst. Die handelingen tezamen hebben geleid tot het aantreffen van de lachgasflessen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de economische politierechter dat er geen sprake is van een vormverzuim en verwerpt zij het verweer van de raadsvrouw.
Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot het horen van de opsporingsambtenaren
De economische politierechter vindt de processen-verbaal die zijn opgemaakt door de opsporingsambtenaren voldoende helder en concreet en ziet geen aanleiding om de opsporingsambtenaren als getuige te horen. Het voorwaardelijke verzoek daartoe van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.
4Waardering van het bewijs
Verdachte heeft negen lachgasflessen vervoerd in strijd met regels uit het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en die genoemd worden in de tenlastelegging. Dit blijkt uit het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren die het voertuig en de lading hebben onderzocht. Verdachte erkent dat de lachgasflessen niet goed vastgemaakt waren, er geen brandblusapparaat was en geen juiste etikettering was aangebracht. Ook bekent hij dat er geen vervoersdocumenten aanwezig waren. Verdachte verklaart verder dat hij niet wist dat dit niet conform de regels was. De rechtbank vindt net als de officier van justitie dat verdachte opzet had aan de strafbare gedraging. Hij heeft verklaard dat hij de lachgasflessen vervoerde voor een vriend en dus wist hij dat hij lachgas vervoerde op de wijze waarop hij dat gedaan heeft. Voor het aannemen van opzet bij een economisch delict als dit, is niet vereist dat hij moest weten dat die gedraging ook strafbaar was.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.250,- en dat de strafbeschikking wordt vernietigd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt een (deels) voorwaardelijke geldboete op zijn plaats als de economische politierechter tot een bewezenverklaring komt. Tevens verzoekt de verdediging tot matiging van de geldboete ten opzichte van de eis.
7.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De economische politierechter ziet geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie en zal een geldboete van € 1.250,- opleggen en de strafbeschikking vernietigen. Dit bedrag is het oorspronkelijke bedrag dat bij strafbeschikking is opgelegd. De economische politierechter ziet geen strafverminderende of strafvermeerderende omstandigheden om rekening mee te houden.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
23 (oud) en 24c van het Wetboek van Strafrecht,
1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,
2 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,
2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen,
2 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen; en
7.5.7.1 (oud), 7.5.11 (oud), 8.1.2.1 a (oud), 8.1.4 (oud) en 8.2.3 (oud) van de Overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.
Dictum
De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Vernietigt de eerder opgelegde strafbeschikking.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.250,-(twaalfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2025.