Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:4227
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,202 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3746
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 op het verzet van
[eiser] , uit [woonplaats] , opposant
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: de heffingsambtenaar)
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
De rechtbank heeft het beroep op 27 september 2024 kennelijk gegrond verklaard.
Opposant heeft verzet ingesteld.
Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2025. De gemachtigde van opposant heeft (in verband met ziekte) telefonisch deelgenomen aan de zitting. De heffingsambtenaar is niet verschenen.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. De heffingsambtenaar heeft aan opposant een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Met de uitspraak op bezwaar van 15 maart 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van opposant ongegrond verklaard. Opposant heeft daartegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 19 april 2023 kennelijk gegrond verklaard en de heffingsambtenaar opgedragen om uiterlijk binnen twee maanden een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De reden hiervan is dat de heffingsambtenaar een hoorzitting achterwege heeft gelaten en niet heeft aangegeven waarom van het horen is afgezien.
3. Op 4 september 2023 is opposant in beroep gegaan wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar. De rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van
14 maart 2024 kennelijk gegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar ondanks de uitdrukkelijke opdracht van de rechtbank nog geen (nieuw) besluit heeft genomen. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen om uiterlijk binnen twee weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
4. Op 7 juni 2024 is opposant opnieuw in beroep gegaan wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar. De rechtbank heeft uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 27 september 2024 kennelijk gegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om uiterlijk binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 500,- moet betalen indien niet binnen die termijn alsnog een besluit op bezwaar bekend is gemaakt. Eiser verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat het oorspronkelijke bezwaar meer dan twee jaar geleden is ingediend. De rechtbank ziet echter (nog) geen aanleiding voor een schadevergoeding.
Beoordeling
5. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittingsuitspraak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
6. Opposant voert aan dat de rechtbank onterecht het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet heeft toegewezen. De zaak had daarom niet vereenvoudigd afgedaan mogen worden, nu er geen sprake was van een kennelijk ongegrond verzoek.
7. De verzetsgronden vormen geen reden om te oordelen dat niet buiten zitting uitspraak kon worden gedaan. Het eindoordeel in de buiten-zittingsuitspraak van
27 september 2024, namelijk dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is, staat buiten redelijke twijfel, nu er op dat moment nog geen nieuwe uitspraak op bezwaar was genomen door de heffingsambtenaar. Dat betekent dat het verzet ongegrond is.
Vergoeding immateriële schade
8. Ter zitting heeft de gemachtigde van opposant verklaard dat de heffingsambtenaar binnen 2 weken na verzending van de buiten-zittingsuitspraak van 27 september 2024 een nieuwe uitspraak op bezwaar heeft genomen. Hiertegen heeft de gemachtigde van opposant geen beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar binnen 14 dagen na de verzending van de uitspraak op 10 oktober 2024 is genomen. Met het nemen van de uitspraak op bezwaar, kan de termijnoverschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) worden vastgesteld. De rechtbank ziet daarom nu wel aanleiding om het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te beoordelen.
9. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van een zaak als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. De te beoordelen periode begint met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen maken dat een langere behandelduur gerechtvaardigd is. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van
€ 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat.
10. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend op 16 februari 2022. Verondersteld wordt dat aan de spanning en frustratie wegens de lange duur van de procedure een einde is gekomen met het nemen van de uitspraak op bezwaar op uiterlijk 24 oktober 2024. Gelet op hetgeen is vastgesteld in overweging 9 doet zich een overschrijding van de redelijke termijn voor met een periode van ruim acht maanden. Van andere bijzonderheden die een rechtvaardiging van de overschrijding van deze termijn opleveren is de rechtbank niet gebleken. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eiser een schadevergoeding van € 1.000,- toekennen.
11. De rechtbank stelt vast dat de bestreden uitspraak is gedateerd van 24 oktober 2024. De rechtbank stelt vast dat er geen overschrijding is in de beroepsfase. De overschrijding is dus volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het voorgaande leidt ertoe dat de schadevergoeding van € 1.000,- volledig voor rekening komt van de heffingsambtenaar.
Conclusie
12. Het verzet is ongegrond.
13. Vanwege het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar de veroordelen in de kosten die opposant in verband met het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,25).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar om aan opposant een schadevergoeding van € 1.000,- te betalen;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
AMS 22/2009, ECLI:NL:RBAMS:2023:2372.
AMS 23/5167, ECLI:NL:RBAMS:2024:1412.
AMS 24/3746.