Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:405
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,677 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/7539 en 24/7546
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).
Inleiding
1.1.
Verzoeker heeft op 16 augustus 2024 bij verweerder een bijstandsaanvraag gedaan op grond van de Participatiewet (PW). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2024 afgewezen. Op 22 september 2024 heeft verzoeker daar bezwaar tegen gemaakt. Op 27 september 2024 heeft verweerder dat besluit gecorrigeerd, met dien verstande dat de afwijsreden het feit betreft dat niet kan worden vastgesteld dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres aan de [adres] [huisnummer] te Amsterdam. Op 11 december 2024 heeft verweerder met het bestreden besluit de bezwaren tegen voornoemde besluiten ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 11 december 2024 beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoeker op 17 december 2024 verzocht om een voorlopige voorziening strekkende tot toekenning van een bijstandsuitkering, althans een voorschot daarop.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en beroep op 9 januari 2025 behandeld. Omdat verzoeker wegens ziekte niet was verschenen heeft de voorzieningenrechter de behandeling geschorst tot de zitting van 16 januari 2025 om hem de gelegenheid te bieden gehoord te worden. Op 16 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op de zitting voortgezet. De gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder waren aanwezig. Verzoeker was wederom niet aanwezig. Zijn gemachtigde kon geen reden noemen waarom verzoeker niet is verschenen.
Beoordeling
2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder de aanvraag van verzoeker voor een bijstandsuitkering heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoeker.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Verzoeker krijgt dus (in het beroep) gelijk. Dit betekent niet dat hij nu een bijstandsuitkering krijgt. Verweerder moet namelijk een nieuw besluit daarover nemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit afgewezen omdat verzoeker niet zijn hoofdverblijf, zoals bedoeld in artikel 40 van de PW, in Amsterdam heeft. Verzoeker heeft zelf verklaard dat hij liever bij zijn vriendin in Nieuwegein verblijft en daar ook in de maanden voor zijn aanvraag vijf à zes dagen per week was. Dit blijkt ook uit de door hem overgelegde pintransacties over de periode mei tot en met augustus 2024. Tijdens een huisbezoek is verzoeker ook niet aangetroffen op het adres in Amsterdam. Verzoeker heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat hij hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres in Amsterdam, aldus verweerder.
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij weliswaar een periode veelvuldig in Nieuwegein verbleef, maar dat zijn hoofdverblijf altijd in Amsterdam is geweest. Hij heeft vanwege zijn verslavingsproblematiek tijdelijk bij zijn vriendin in Nieuwegein verbleven om afstand te nemen van zijn sociale omgeving in Amsterdam. Dit heeft hij ook in zijn verklaring naar voren gebracht. In Amsterdam ontvangt hij echter zijn post, liggen zijn eigendommen, woont zijn familie en heeft hij zijn huisarts en sportschool. Ook is hij vanaf juli 2024 in contact met het Buurtteam in Amsterdam Noord vanwege zijn schulden. Inmiddels is hij ook door de huisarts doorverwezen naar Verslavingszorg. Verweerder heeft ten onrechte geen daadwerkelijk huisbezoek afgelegd. Verzoeker heeft daar bij verweerder wel op aangedrongen en een filmpje getoond van zijn woonsituatie in Amsterdam. Het onderzoek met betrekking tot zijn hoofdverblijf is dan ook onzorgvuldig en zijn aanvraag is ten onrechte afgewezen, aldus verzoeker.
7. Artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de PW bepaalt dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De woonplaats is de plaats waar de woonstede van de betrokkene is. Met woonstede wordt hier bedoeld: woning. De woning is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
8. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende concrete feiten en omstandigheden die blijken uit de stukken. Verzoeker kampt met schulden- en verslavingsproblematiek. Hij heeft tijdens de intake bij verweerder aangegeven eindelijk de stap naar de hulpverlening te durven maken, samen met het Buurtteam in Amsterdam Noord. Uit een verklaring van het Buurtteam Amsterdam Noord volgt dat hij sinds juli 2024 door hen wordt begeleid. Verzoeker heeft bij de intake verklaard dat hij er fysiek en geestelijk behoorlijk doorheen zit. Hij geeft aan af en toe bij zijn vriendin in Nieuwegein te verblijven. Uit de door verweerder opgevraagde bankgegevens volgt inderdaad dat verzoeker in de periode mei tot en met augustus (zeer) geregeld pintransacties heeft gedaan in Nieuwegein. Verzoeker heeft tijdens het rechtmatigheidsonderzoek op 10 september 2024 aan verweerder verklaard dat hij al zijn hele leven bij zijn moeder woont in Amsterdam. Hij heeft de afgelopen drie maanden ongeveer twee keer per week thuis geslapen en was veel bij zijn vriendin in Nieuwegein. Dat heeft ook met de zomerperiode te maken. Hij heeft een eigen slaapkamer in de woning in Amsterdam. Hij legt uit hoe zijn kamer er uitziet en wat voor kleding hij heeft liggen. Hij verklaart dat hij een sleutel van de woning in Amsterdam heeft en daar zijn post ontvangt en administratie bewaart. Verzoeker heeft ook verklaard dat zijn vriendin nog twee maanden in de woning in Nieuwegein kan blijven en dan houdt het op, dan gaat zij bij haar moeder wonen. Verzoeker wil zijn leven op de rit krijgen. In Amsterdam heeft hij veel verleidingen en daarom vindt hij het op dit moment fijn om regelmatig bij zijn vriendin te verblijven, verklaart verzoeker. Verzoeker vraagt zich voorafgaand aan het gesprek af waarom verweerder tijdens het huisbezoek niet binnen is geweest. Hij laat ook een video zien van zijn slaapkamer. Door een medewerker wordt de voorkant van het appartementencomplex herkend omdat hij twee brieven daar had bezorgd. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verzoeker toegelicht dat hij in de aanvraagperiode Amsterdam heeft ontweken en tijdelijk bij zijn vriendin verbleef. In de omgeving van het huis van zijn moeder is hij omringd door slechte vrienden waardoor hij aan de drank is geraakt. Verzoeker is inmiddels doorverwezen naar de Verslavingszorg.
9. Uit de onder 8 genoemde feiten en omstandigheden leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker in de onderzochte periode voorafgaand aan de aanvraag veelvuldig bij zijn ex-vriendin verbleef in Nieuwengein, voornamelijk met als doel om niet te worden blootgesteld aan verslavingsgerelateerde verleidingen in Amsterdam, terwijl hij ook nog een aantal dagen in de week op het bij de aanvraag opgegeven woonadres in Amsterdam verbleef, hij zijn post ook op dit woonadres in Amsterdam ontving en zijn spullen daar aanwezig waren, evenals zijn sportschool en huisarts. In het licht van deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder met het onderzoek zoals dat in deze zaak is verricht onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verblijf van verzoeker bij zijn vriendin in Nieuwegein geen tijdelijk karakter had en dat verzoeker met dit verblijf bij zijn vriendin ook zijn feitelijke woonadres heeft verplaatst. Verweerder heeft – ook op de zitting – betoogd dat de verklaring van verzoeker in combinatie met de pintransacties wel voldoende was voor deze conclusie. Om die reden heeft verweerder niet nog een huisbezoek afgelegd. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verweerder op basis van de bekend geworden feiten en omstandigheden niet zonder meer heeft kunnen concluderen dat er sprake was van een verplaatsing van het feitelijke woonadres.
Tegen de achtergrond van de in overweging 8 genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, had verweerder de woonsituatie van verzoeker nader moeten onderzoeken, zeker nadat verzoeker met een filmopname van het huis in Amsterdam Noord om een nader onderzoek vroeg. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het huisbezoek dat verweerder heeft afgelegd, beperkt is gebleven tot een gesprek aan de deur met de zus van verzoeker en dat toen geen onderzoek in de woning heeft plaatsgevonden. Met de filmopname probeerde verzoeker aannemelijk te maken dat hij nog wel degelijk in de woning woonde. Verweerder had naar aanleiding hiervan een nader huisbezoek kunnen afleggen, om de woonsituatie scherper in beeld te krijgen en scherper duidelijk te krijgen of het veelvuldige verblijf bij de vriendin in Nieuwegein in de maanden voorafgaand aan de aanvraag nu wel of niet als tijdelijk zou kunnen worden gekwalificeerd. Ook had meer informatie kunnen worden vergaard over de problematiek van verzoeker en de impact daarvan op de woonsituatie.
Conclusie
10.1.
Het beroep is gegrond omdat verweerder het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zorgvuldig heeft voorbereid en daarnaast onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om zelf een beslissing over het toekennen van een bijstandsuitkering te nemen.
10.2.
De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter geeft verweerder hiervoor zes weken. Verweerder dient nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden en deze opnieuw te wegen.
10.3.
Nu er meteen op het beroep is beslist, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid van de Awb. Hoewel verzoeker momenteel geen uitkering ontvangt is onvoldoende duidelijk geworden over de (on)mogelijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien, ook omdat verzoeker niet op de zitting is verschenen. Verzoeker kan een nieuwe aanvraag doen bij verweerder voor een bijstandsuitkering. Het is belangrijk dat verzoeker dan wel op de uitnodiging van verweerder verschijnt.
10.4.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden van totaal € 102,-. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 102,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034,
30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038 en 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 juli 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BR3079.