Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:4001
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,837 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7788
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Rastegar),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (de partner van eiser), M. Hajdari (tolk) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Achtergrond van de zaak
3. Eiser woont met zijn partner sinds 2014 in Amsterdam. Sinds 10 mei 2022 wonen zij aan de [adres 1] . Dit betreft een driekamer woon- en winkelfunctie van 34m2. Eiser en zijn partner wonen in de kelder van hun winkel. Daarvoor woonden zij aan de [adres 2] in Amsterdam. Dit was een vrije sector woning die eiser huurde met financiële hulp van de broer van zijn partner.
3.1.
Het college heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden in de Huisvestingsverordening 2024 (Hvv). De situatie van eiser is niet uit een overmachtssituatie ontstaan omdat eiser naar Amsterdam is verhuisd zonder over een adequate verblijfplaats te beschikken (e-grond). Daarnaast heeft eiser meerdere schulden waarvoor nog geen betalingsregelingen zijn getroffen (h-grond).
Algemene weigeringsgronden
4. Het college heeft in het verweerschrift de e-grond als weigeringsgrond laten vallen. De rechtbank zal de beroepsgronden tegen deze weigeringsgrond daarom niet verder bespreken.
5. Eiser voert aan dat, hoewel er schulden zijn, er wel regelingen zijn getroffen waaruit blijkt dat de schulden onder controle zijn. Eiser heeft met de gemeente Amsterdam een betalingsregeling getroffen en hij lost maandelijks € 300,- af. Deze aflossingsregeling kan worden gelijkgesteld aan een sanering door de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) omdat de gemeente zelf de schuldeiser is. Ten aanzien van de schuld bij een familielid stelt eiser dat er geen terugbetalingsverplichting is. Het is een ereschuld en in de cultuur van eiser en zijn partner is dit gebruikelijk.
5.1.
Het college werpt aan eiser tegen dat onvoldoende is aangetoond dat hij in staat is om te voorzien in de kosten van een zelfstandige woning. Uit de Hvv en de Nadere regels volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien de aanvrager niet in staat is om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Dat is het geval indien er sprake is van schulden die niet zijn geregeld. Het college verbindt aan het regelen van schulden de voorwaarde dat de schulden zijn gesaneerd of dat hier een start mee is gemaakt door middel van een aanmelding bij de GKA, de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WNSP) of andere vorm van budgetbeheer. Het college stelt deze eis als waarborg voor langdurige financiële stabiliteit van de aanvrager van de urgentie. Uit het dossier volgt dat er bij eiser sprake is van meerdere schulden en dat er nog geen start is gemaakt met een sanering. Eiser en zijn partner hebben een Tozo-schuld van € 10.248,48 en een Bbz-schuld van € 15.000,- bij de gemeente Amsterdam. Daarnaast hebben eiser en zijn partner een schuld van € 98.000,- bij de broer van de partner van eiser.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er bij eiser sprake is van diverse schulden. Dit betekent dat eiser bij de aanvraag voor een urgentieverklaring moet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 4 van de Nadere regels. Hieruit volgt dat de schulden geregeld moeten worden met een schuldhulpverleningstraject. Eiser heeft zich niet aangemeld bij de GKA, een WNSP-traject of andere vorm van budgetbeheer waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden. Dat eiser niet op de hoogte was van deze voorwaarden, volgt de rechtbank niet. Het college heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiser op 23 april 2024 verzocht om aanvullende documenten en aangegeven welke documenten overgelegd moeten worden als er schulden zijn. Eiser heeft de gevraagde documenten niet overgelegd.
5.3.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat zijn situatie gelijkgesteld kan worden aan een schuldhulptraject omdat hij zijn schulden heeft geregeld en daarmee financiële stabiliteit heeft. Eiser stelt weliswaar dat voor de familieschuld geen terugbetalingsverplichting geldt, maar deze schuld staat wel vermeld op de bedrijfsbalansen van eiser van 2022 en 2023 als 'lening [naam] 98.000'. Daarbij heeft eiser tijdens het intakegesprek op 23 april 2024 verklaard dat deze schuld niet wordt kwijtgescholden en hij € 400,- per maand aflost. Ook heeft eiser geen verklaring van de schuldeiser overgelegd waaruit zou blijken dat de lening niet terugbetaald hoeft te worden. Het is de rechtbank door deze omstandigheden onduidelijk gebleven of eiser de lening wel of niet moeten terugbetalen aan de broer van zijn partner en wat de voorwaarden daarvan zijn. Hierdoor is onvoldoende aangetoond dat deze schuld goed is geregeld en dat eiser kan zorgen voor een situatie van langdurige financiële stabiliteit.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat het college de h-grond als afwijzingsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Omdat een algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoefde het college verder niet te beoordelen of een urgentieverklaring om medische (of sociale) redenen kon worden verleend.
Hardheidsclausule
6. Eiser voert in het kader van de hardheidsclausule aan dat sprake is van een medische noodzaak voor een urgentieverklaring. De eis die het college stelt dat er sprake moet zijn van een acute levensbedreigende situatie is te restrictief. Duidelijk is dat er in dit geval sprake is van een verslechterende medische situatie vanwege het zeer hoge vochtgehalte in de woning. Eiser en zijn partner hebben psychische en fysieke problemen. De partner van eiser lijdt aan astma en in de huidige woonsituatie verslechtert zijn gezondheid sterk. De woning heeft geen ramen wat erg drukt op de psychische gesteldheid van beiden.
6.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser het liefst een eigen vaste verblijfplaats heeft samen met zijn partner. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college eiser op grond van de hardheidsclausule niet alsnog urgentie hoeft te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend toe en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk.
6.2.
Eiser heeft in beroep twee verklaringen van de psychiater overgelegd van 17 oktober 2023 (over de partner van eiser) en 11 maart 2024 (over eiser zelf). De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen dateren van vóór de aanvraagdatum en eiser deze verklaringen al in de bezwaarfase heeft overgelegd. Eiser heeft gedurende de beroepsprocedure geen nieuwe medische stukken overgelegd. Uit de verklaringen van de psychiater kan niet worden afgeleid dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem bij eiser of zijn partner. De situatie van eiser (ook in vergelijking met andere gevallen) kan niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. Eiser en zijn partner hebben een woonplek en slapen niet op straat. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie van eiser en zijn partner vervelend is, heeft het college in de stukken geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dit betekent dat het college ook geen aanleiding had hoeven zien om de GGD alsnog om advies te vragen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv 2024.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder h, van de Hvv 2024.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder h, van de Hvv 2024 en artikel 4 van de Nadere regels.
Hoofdstuk 1, paragraaf 2, onder 24 van de Nadere regels Hvv.