Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:399
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,183 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-045299-24
Datum uitspraak: 9 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 22 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 januari 2024 door de Provincial High Court of Alicante, Eleventh division based in Elche in Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedag] 1960,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver (waarnemer voor mr. M.L. van Gessel), advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judicial decision dated 18/01/24 ruling the issuance of European warrant, extending the national search and arrest warrant to the request for surrender by the Dutch authorities (the decision is final as it has not been appealed by any of the parties).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid: ontbreken van een nationaal aanhoudingsbevel
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat bij de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie dient te worden opgevraagd, nu uit het dossier blijkt dat voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB geen nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.
De rechtbank constateert met de verdediging en de officier van justitie dat uit het EAB en de in het dossier gevoegde aanvullende informatie van de Spaanse autoriteiten van 7 januari 2025 niet kan worden afgeleid dat de Spaanse autoriteiten voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB, ten aanzien van de opgeëiste persoon een daarvan te onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd. Uitganspunt is dat in dat geval dat de Spaanse autoriteiten in de gelegenheid worden gesteld om aanvullende informatie te verstrekken dan wel het gebrek aan de genoegzaamheid van de stukken te herstellen. De rechtbank zal echter, gelet op de hieronder weergegeven overwegingen in het licht van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW volstaan met de bovenstaande constatering.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
verduistering.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op het hieronder over artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW overwogene, hoeft de rechtbank zich niet te buigen over de vraag of zij de overlevering afhankelijk zal maken van een dergelijke garantie.
6De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Het standpunt van de partijen
Volgens de raadsman is het vervolgingsrecht van het feit naar Nederlands recht verjaard en zijn er geen redenen om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. De officier van justitie heeft zich - subsidiair - op hetzelfde standpunt gesteld.
Beoordeling
Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben. Dat Nederland over het feit rechtsmacht kan uitoefenen staat ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vast, nu de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het recht van vervolging van de opgeëiste persoon voor het in het EAB vermelde feit is verjaard. Op het feit ‘verduistering’ staat op grond van artikel 321 Sr een maximale gevangenisstraf van 3 jaar. Ingevolge artikel 70 Sr geldt voor dit feit een strafvorderlijke verjaringstermijn van 6 jaar. De verjaringstermijn van het feit vangt overeenkomstig artikel 71 Sr aan op de dag waarop het feit is gepleegd en wordt ingevolge artikel 72, eerste lid, Sr gestuit door iedere daad van vervolging.
Uit de in het dossier gevoegde aanvullende informatie van de Spaanse autoriteiten van 8 januari 2025 blijkt dat de exacte pleegdatum van het feit niet kan worden vastgesteld en dat ten aanzien van het feit op 4 maart 2010 voor het laatst een daad van vervolging en daarmee stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. Uitgaande van deze laatste datum, is het recht op strafvervolging op 4 maart 2016 verjaard. De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is daarmee van toepassing.
De rechtbank ziet verder onvoldoende aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Van belang is dat er geruime tijd is verstreken sinds het recht tot strafvervolging naar Nederlands recht is verjaard. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, staat sinds 9 augustus 2007 in de Basisregistratie Personen in Nederland ingeschreven, heeft zijn leven in Nederland opgebouwd met sociale binding en is niet voor soortgelijke delicten als de in het EAB vermelde feiten met justitie in aanraking gekomen.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. Daarnaast staat de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW aan de overlevering in de weg. Om die reden weigert de rechtbank de overlevering.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 9 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Provincial High Court of Alicante, Eleventh division based in Elche in Spanje voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OP de - geschorste - gevangenhouding. Deze uitspraak is gedaan door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. E. Biçer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.