Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:396
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,214 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-347582-24
Datum uitspraak: 23 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2024 door het Amtsgericht Mönchengladbach in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Mönchengladbach van 28 augustus 2024 met dossiernummer 58a Gs 17/24 (700 Js 1991/24).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn in het EAB omschreven.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland onder nummer 5 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De officier van justitie in Mönchengladbach heeft op 2 oktober 2024 de volgende garantie gegeven:
Er wordt gegarandeerd dat de verschuldigde persoon in geval van een definitieve veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van het kaderbesluit 2008/909/JI van de raad van 27 november 2008 betreffende de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen, door middel van een vrijheidsberovende straf of maatregel oplegt, wordt voor de uitvoering van zijn de straf in de Europese Unie (ABI. L. 327 van 5.12.2008, pagina 27) voor de verdere uitvoering van de straf teruggestuurd naar Nederland.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Artikel 11 OLW
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland niet kan worden toegestaan, nu er geen garanties zijn dat de mensenrechten van de opgeëiste persoon in de Duitse detentie-instellingen zullen worden gerespecteerd. In dat kader heeft de raadsman gewezen op een artikel van het Algemeen Dagblad van 2024 waaruit blijkt dat een Nederlander in een Duitse cel is overleden en een uitzending van het televisieprogramma Inside the World’s Toughest Prisons over het Duitse gevangeniswezen.
De raadsman heeft verder het standpunt ingenomen dat de opgeëiste persoon het risico loopt in Duitsland een minder eerlijk proces te krijgen nu het Duitse recht een veroordeling op basis van één getuigenverklaring toestaat.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie wijst het door de raadsman aangedragen artikel op een incident en kan daaruit geen algemeen reëel gevaar van grondrechtenschending in het Duitse detentieregime worden afgeleid.
Beoordeling
De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als een beroep op artikel 11 OLW. De rechtbank overweegt dat door of namens de opgeëiste persoon geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Duitse detentie-instellingen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om de Duitse autoriteiten aanvullende vragen te stellen.
Verder is het de rechtbank niet duidelijk geworden of de raadsman met zijn standpunt dat een eventueel proces in Duitsland ‘minder eerlijk’ zal zijn ook het standpunt inneemt dat het risico bestaat dat het proces in Duitsland onvoldoende eerlijk zal zijn. Voor zover de raadsman een verweer op basis van artikel 11 OLW heeft bedoeld te voeren, verwerpt de rechtbank dit verweer. Het verweer is onvoldoende onderbouwd en is ook niet gebaseerd op de 2-stappen toets in de inmiddels bestendige uitspraken van deze rechtbank over dit onderwerp.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
7Onschuldverweer
De raadsman heeft bepleit dat is aangetoond dat de opgeëiste persoon onschuldig is aan de in het EAB vermelde feiten, nu zijn verdenking in Duitsland slechts op de verklaring van één getuige is gebaseerd. De rechtbank overweegt dat het sinds de wijziging van de OLW op 1 oktober 2024 niet meer mogelijk is om een onschuldverweer te voeren, omdat de OLW hiervoor geen mogelijkheid biedt. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Mönchengladbach in de Bondsrepubliek Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. E. Biçer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk: rb. Amsterdam 20 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7080.