Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:3957
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,486 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-096579-25
Datum uitspraak: 11 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 januari 2024 door the Regional Prosecutor's Office, town of Blagoevgrad. Territorial Division- Sandanski, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence No. 32/07.11.2023 under General Criminal Case No 632/2022, entered into force on 23.11.2023 of Sandanski Regional Court.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en dat een advocaat tijdens het proces namens hem de verdediging heeft gevoerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat omdat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Het EAB vermeldt onder d) dat de opgeëiste persoon tijdens het proces is vertegenwoordigd door zijn advocaat. Uit de aanvullende informatie van 20 mei 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de gemachtigd advocaat van de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Op grond van het EAB, de aanvullende informatie en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft onder e.I van het EAB twee lijstfeiten onderstreept, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
De raadsman heeft aangevoerd dat de lijstfeiten niet in redelijkheid zijn aangekruist.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste lijstfeit, deelneming aan een criminele organisatie, niet in redelijkheid is aangekruist. Het tweede lijstfeit, illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, is wel in redelijkheid aangekruist maar grenst aan tegenstrijdigheid. Daarom heeft de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het feit dubbel strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in de toelichting onder e.I van het EAB het volgende heeft vermeld:
“The offence under art. 354a par. 3 pr. 2 item 2 of Criminal Code subject to general
criminal code No 632/2022 according the records of Sandanski Regional Court - does
not fall into the list specified above of offences under item I at annex No 1 at Extradition
Act and European Arrest Warrant.”
Hieruit blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet heeft aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5Artikel 11 OLW: Bulgaarse detentieomstandigheden
De rechtbank heeft op grond van de Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van
4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van
18 oktober 2022.
De rechtbank overweegt dat het International Rechtshulp Centrum (IRC) op 15 mei 2025 vragen heeft gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de detentieomstandigheden in Bulgarije, waaronder de vraag “In which prison in Bulgaria will Mr [de opgeëiste persoon] most probably be detained after his surrender?”.
In de aanvullende informatie van 20 mei 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten het volgende meegedeeld:
“1. According to the address registration of the person [de opgeëiste persoon] from the town of [geboorteplaats] , after his return to the Republic of Bulgaria he will be detained in the prison of the town of Bobov Dol;
2.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Prosecutor's Office, town of Blagoevgrad. Territorial Division-Sandanski (Bulgarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M. Westerman en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. rb. Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.
Rb. Amsterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
Rb. Amsterdam 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.