Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:3879
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,448 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/099763-21 (onderzoek Kapra; ontneming)
Datum uitspraak: 10 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1952 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
met als laatst opgegeven woonadres:
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2025. Op 10 juni 2025 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.
De rechtbank heeft de zaak tegen [veroordeelde] (hierna: [veroordeelde] ) gelijktijdig – doch niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen [medeverdachte] (81/099804-21 & 81/082605-23) (hierna: [medeverdachte] ), medeverdachte in het onderzoek Kapra.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 12 maart 2024 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 284.085,-.
Gezien de stukken begrijpt de rechtbank de vordering zo dat deze is gegrond op het plegen van gewoontewitwassen waarvoor [veroordeelde] op 10 juni 2025 door de rechtbank Amsterdam in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 240.072,-. De oorspronkelijke vordering dient aangepast te worden naar dit bedrag, omdat een berekening in de ontnemingsrapportage niet klopt. De vordering bestaat uit het voordeel dat [veroordeelde] heeft genoten van de van misdrijf afkomstige gelden die ze van [medeverdachte] heeft ontvangen, totaal € 207.672,-, en het vruchtgebruik van de woning van [medeverdachte] in [adres] voor een bedrag van € 32.400,-. Er wordt van een andere waarde van het vruchtgebruik van de woning uitgegaan, omdat de berekening van de waarde van de woning in de ontnemingsrapportage niet klopt. Het aangepaste bedrag is gebaseerd op het bedrag aan huur dat [veroordeelde] betaalde voor haar vorige woning in [land] , namelijk € 600,- per maand en de periode dat ze in de woning van [medeverdachte] verbleef, te weten 4,5 jaar.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat [veroordeelde] geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Net als in de hoofdzaak, betwist de verdediging dat de door [veroordeelde] ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig zijn en daarmee als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aan te merken. Wat betreft de woning in [adres] , stelt de verdediging zich op het standpunt dat [veroordeelde] deze woning heeft betaald van haar eigen geld, waardoor er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het ontnemingsbedrag in de vordering moet worden gematigd, omdat de gelden die [veroordeelde] heeft ontvangen grotendeels ten bate van [medeverdachte] zijn uitgegeven. Voorts is de berekening van het Openbaar Ministerie voor de waarde van het vruchtgebruik van de woning te speculatief. Er is onvoldoende onderbouwd waarom dit bedrag een juiste representatie is voor het vruchtgebruik van de woning.
3.3.
Beoordeling
Op grond van het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit (lid 1). Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde. Daarnaast kan de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (lid 3). De rechtbank stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen (lid 5).
De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van januari 2017 tot en met april 2021 diverse geldbedragen en goederen heeft witgewassen. De rechtbank ontleent de hierna volgende schatting van het daarmee verkregen wederrechtelijk voordeel aan de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen in de strafzaak. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Het in het ontnemingsrapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het onderliggende zaaksdossier. Dit rapport gaat uit van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 284.085,-. De officier van justitie heeft de vordering vervolgens naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 240.072,-.
De rechtbank komt tot de volgende berekening van het minimale verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde in voornoemde periode:
3.3.1.
Het voordeel uit de van misdrijf afkomstig ontvangen gelden
Zoals in de hoofdzaak is vastgesteld, heeft [veroordeelde] uit misdrijf afkomstige gelden ontvangen en witgewassen. De rechtbank kan vaststellen dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel als er ten bate van [veroordeelde] meer uitgaven zijn gedaan dan op basis van haar legale ontvangsten mogelijk was.
Legale ontvangsten
Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat [veroordeelde] in de periode 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2021 in totaal € 34.848,45 aan legale inkomsten heeft ontvangen.
Feitelijke uitgaven totaal
Het totaal van afschrijvingen op de rekening [rekeningnummer 1] ten name van [veroordeelde] in de periode 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2021 was € 314.778,36. Het totaal aan afschrijvingen op de rekening [rekeningnummer 2] ten name van [veroordeelde] in deze periode was € 1,90. De feitelijke uitgaven van de laatstgenoemde rekening worden niet meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Nadere analyse van de afschrijvingen van rekening [rekeningnummer 1] toont dat de inkomende geldstromen als volgt zijn uitgegeven:
Uitgave soort en Bedrag:
Overboeking aan (naam bedrijf) €100.000,-
Overboeking aan (naam bedrijf2) € 40.000,-
Overboeking aan Bouwbedrijf € 13.688,81
(naam) € 34.033,86
Overschrijvingen/overige € 26.570,39
Abonnementen € 10.225,15
Doe het zelf/Tuincentra € 14.136,22
Gas/water/licht € 6.741,28
Elektronica € 4.312,60
Gemeentelijke lasten € 6.083,68
Meubelzaken € 22.001,70
Pinbetalingen buiten Duitsland € 11.798,59
Tanken € 9.890,55
Supermarkt € 637,47
Autogarage € 5.594,83
Kleding € 1.251,29
Horeca € 576,20
Verzekeringen € 7.235,47
+
Totaal afschrijvingen €314.778,36
Feitelijke uitgaven ten bate van veroordeelde
De Porsche Panamera en de Porsche Cayman zijn ten laste van [medeverdachte] beslagen, daarom zijn deze uitgaven in het ontnemingsrapport niet meegenomen in het totaal van uitgaven die ten bate van [veroordeelde] zijn gekomen. De rechtbank neemt deze uitgaven evenmin mee.
Ten aanzien van de overige uitgaven, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat een deel van deze uitgaven ten bate van [medeverdachte] is gekomen. De mate waarin [medeverdachte] en [veroordeelde] voordeel hebben gehad van deze uitgaven, is naar het oordeel van de rechtbank echter anders dan de verdediging heeft aangevoerd. De rechtbank stelt de volgende voordeelsverdeling vast.
De uitgaven aan [naam] (de verzekeraar van de Porsches), brandstof en de autogarage zijn voor 40% ten voordele van [veroordeelde] gekomen en voor 60% ten voordele van [medeverdachte] . Beiden hebben gebruik gemaakt van de auto’s. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte] en [veroordeelde] stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] meer gebruik heeft gemaakt van de voertuigen. Dit betekent dat aan [veroordeelde] ten aanzien van deze post € 19.807,69 wordt toegerekend.
Het voordeel van de pinbetalingen buiten Duitsland wordt vastgesteld op 50% voor [veroordeelde] en 50% voor [medeverdachte] . Uit de verklaring van [veroordeelde] volgt dat [veroordeelde] en [medeverdachte] samen reisden naar het buitenland. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat zij hier evenveel voordeel van hebben gehad. Dit betekent dat ten aanzien van deze post € 5.899,29 aan [veroordeelde] wordt toegerekend.
Met betrekking tot de overboeking aan het bouwbedrijf stelt de rechtbank vast dat dit 100% ten voordele van [medeverdachte] is gekomen, aangezien dit geld zal zijn dat is gebruikt voor de verbouwing van de woning van [medeverdachte] .
Ten aanzien van de overige uitgaven stelt de rechtbank vast dat deze 100% ten voordele van [veroordeelde] zijn gekomen. Volgens de verdediging betreffen de woonuitgaven voor de helft kosten voor de woning van [medeverdachte] , maar dit blijkt nergens uit.
Het totaal aan uitgaven dat ten voordele van [veroordeelde] is gekomen, wordt gelet op het voorgaande vastgesteld op € 125.478,71 (€ 314.778,36 - € 140.000 - € 29.711,54 – 13.688,81 - € 5.899,29).
Wederrechtelijk verkregen voordeel van de ontvangen geldstromen
In het ontnemingsrapport is het voordeel berekend aan de hand van een uitgebreide kasoptelling. Deze berekening is als volgt uitgevoerd:
Beginsaldo contant en giraal geld
+1+ Legale ontvangsten
-/- Eindsaldo contant en giraal geld
-------------------------------------------------------------------
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
-/- Feitelijke uitgaven (zowel contant als per bank)
-------------------------------------------------------------------
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel)
Het beginsaldo op de Duitse bankrekening van [veroordeelde] eindigend op [rekeningnummer 1] bedroeg op 1 januari 2017 € 5.597,12. De legale ontvangsten bedragen € 34.848,45 en het eindsaldo contant en giraal geld bedroeg per 4 februari 2021 € 73.317,21. Daarmee is € 32.871, meer uitgegeven dan kan worden verklaard met het legale inkomen van [veroordeelde]. Daarbovenop heeft [veroordeelde] € 125.478,71 uitgegeven (zie boven). Het verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) bedraagt dan € 158.350,35. De berekening is inzichtelijk gemaakt en er is geen verweer tegen gevoerd.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit en andere strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 158.350,35 + € 32.400,- = € 190.750,35.
4Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 190.750,35 (honderd negentigduizend zevenhonderdvijftig euro en vijfendertig cent).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 190.750,35 (honderd negentigduizend zevenhonderdvijftig euro en vijfendertig cent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mr. M. Smit en mr. M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek en mr. L. Bergsma, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2025.
Proces-verbaal berekening wederrechtelijk voordeel (nazending onderzoek Kapra PSF 65113 algemeen dossier) 21 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] .