Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:3841
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-057075-25
Datum uitspraak: 5 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2025 door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 8 mei 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.F. Christiansen, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de zitting op 22 mei 2025, in afwachting van de ontvangst van een terugkeergarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon en om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om in het kader van artikel 9 OLW navraag te doen naar de Belgische en de Nederlandse tenlastelegging, nu de mogelijkheid bestaat dat de Nederlandse strafzaak ziet op hetzelfde feitencomplex.
Zitting 22 mei 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.F. Christiansen, advocaat in Rotterdam.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij in ieder geval de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door Onderzoeksrechter Laurence Van Strydonck op 17 januari 2025, met referentie OR Laurence Van Strydonck 2023/199.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
oplichting;
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 9 OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW. In Nederland loopt een strafvervolging voor hetzelfde feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het EAB. Beide vervolgingen zien op (deels) dezelfde pleegperiode, dezelfde pleegplaatsen, dezelfde mogelijke benadeelden en hetzelfde voorwerp, te weten het geld van de beleggers. Daarbij komt dat beide vervolgingen zien op de verdenking dat de opgeëiste persoon de overeenkomsten tussen zijn Nederlandse en Duitse [naam] -ondernemingen en de investeerders niet is nagekomen en dat hij zich daardoor onrechtmatig geld toegeëigend heeft. Verder wordt [medeverdachte] in het EAB aangemerkt als medeverdachte en is hij in de Nederlandse strafzaak als getuige gehoord, wat ook een aanwijzing vormt voor schending van het ne bis in idem-beginsel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW niet aan de orde is. Uit de e-mail van de Nederlandse zaaksofficier van justitie O. van der Bijl blijkt dat tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten is afgesproken dat in België andere gedragingen worden vervolgd dan in Nederland. De Belgische vervolging is namelijk gericht op de oplichtingshandelingen van de opgeëiste persoon, waarbij iedere oplichting is voltooid op het moment dat een investeerder op grond van een leningovereenkomst met daarin een valse voorspiegeling van zaken, geld heeft overgemaakt naar een onderneming van de opgeëiste persoon. De Nederlandse strafzaak betreft een verdenking van verduistering en witwassen en ziet op wat er vervolgens met de door de investeerders overgemaakte gelden is gebeurd. Zelfs als sprake zou zijn van dezelfde feitelijke handelingen, gaat het in de Nederlandse strafzaak om andere juridische kwalificatie dan in de Belgische strafzaak. Daarom kan niet worden gesproken over ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 9 OLW.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft - anders dan de officier van justitie betoogt - alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats.
Het is aan de nationale rechter om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.
Gelet op de feitomschrijving in het EAB en de concept-tenlastelegging in de Nederlandse strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de vervolging in beide landen ziet op hetzelfde feitencomplex. Uit deze concept-tenlastelegging blijkt namelijk dat de verdenking in de Nederlandse strafzaak ziet op het verduisteren en/of witwassen van ingelegde gelden (groot € 3.902.167,-) die bestemd waren voor de aankoop/renovatie/verbouwing van onroerend goed in Duitsland, welke gelden de opgeëiste persoon als CEO van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] ., [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] in de vorm van leningen of beleggingsgelden onder zich had. Deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden tussen 1 augustus 2012 tot en met 22 november 2022 in Nederland, België, Aruba, Duitsland en/of Andorra. Blijkens de e-mail van de Nederlandse zaaksofficier van justitie volgt uit het dossier in de Nederlandse strafzaak dat de gelden zijn verkregen van voornamelijk Belgische investeerders.
Uit onderdeel e) van het EAB blijkt dat de Belgische autoriteiten de opgeëiste persoon vervolgen omdat hij ervan wordt verdacht middels zijn ondernemingen [bedrijf 2] . en [bedrijf 4] minstens € 11.000.000,- te hebben geleend van grotendeels in België wonende benadeelden ten behoeve van de aankoop, renovatie en verkoop van vastgoed in Duitsland. Er zou sprake zijn van grootschalige oplichtingsfraude met valsheid in geschriften door aan de benadeelden voor te houden dat zij een zakelijk recht hadden op Duitse onroerende goederen, terwijl deze zekerheidsrechten nooit zijn gevestigd. Ook zijn de leningen niet terugbetaald. De benadeelden hebben daardoor alleen een vordering op de inmiddels gefailleerde ondernemingen en de opgeëiste persoon heeft door zijn handelen een aanzienlijk wederrechtelijk vermogensvoordeel behaald, aldus het EAB. Deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden tussen augustus 2012 en januari 2016 in België en Duitsland.
Gelet op het bovenstaande is sprake van een nagenoeg volledige overlap tussen het feitencomplex in de Nederlandse strafzaak en het feitencomplex waar de Belgische vervolging op ziet. Het gaat in beide strafzaken om dezelfde dader, dezelfde betrokken vennootschappen, dezelfde (voornamelijk) Belgische investeerders, (vermeend) onroerend goed in Duitsland en wederrechtelijke toe-eigening van gelden door de opgeëiste persoon. Ook is sprake van grotendeels dezelfde pleegplaatsen en pleegperiode. Dat de juridische kwalificaties in de Nederlandse strafzaak verschillen van die in de Belgische strafzaak, is – zoals hiervoor reeds opgemerkt – niet relevant.
Bij gebrek aan de tenlastelegging in de Belgische strafzaak – waar de rechtbank op de zitting van 8 mei 2025 om heeft gevraagd – en in het licht van de feitomschrijving in het EAB waarin wordt gesproken over wederrechtelijk vermogensvoordeel voor de opgeëiste persoon, terwijl de benadeelden achterblijven met een vordering op de failliete vennootschappen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de Belgische vervolging enkel ziet op het middels oplichting verkrijgen van gelden en niet óók op wat er daarna met de gelden is gebeurd.
In aanvulling hierop merkt de rechtbank op dat de e-mail met betrekking tot de afspraken tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten over de strafzaken afkomstig is van de officier van justitie in de Nederlandse strafzaak, terwijl de Belgische autoriteiten geen soortgelijke informatie hebben verstrekt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid en aanhef, onder a OLW. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 9 OLW te weigeren. De overlevering wordt dan ook geweigerd.
Nu de overlevering op deze grond wordt geweigerd, komt de rechtbank niet meer toe aan bespreking van de overige door de raadsvrouw gevoerde verweren.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 9 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mr. I. Verstraeten en mr. E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 29 april 2021, C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 71.
HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, EU:C:2023:236, punt 38 en HvJ EU 21 september 2023, C-164/22, ECLI:EU:C:2023:684.