Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:3818
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,071 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/185994-24
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[detentieadres] (detentieadres),
thans gedetineerd in [detentieplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2025. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. R.M. Joppen, advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren heeft gebracht. Daarnaast is E. Mutter, psychiater, op de terechtzitting als deskundige gehoord.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade, van het leven te beroven,
- meerdere malen, althans eenmaal, met een mes in de halsstreek en/of borststreek en/of buikstreek, althans in het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of
- de hals en/of keel van die [benadeelde partij] met zijn, verdachtes, handen heeft vastgepakt en/of (vervolgens) gedurende enige tijd de hals en/of keel van die [benadeelde partij] heeft dichtgeknepen en/of die [benadeelde partij] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [benadeelde partij] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of
- voornoemde [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of gezicht, althans het (boven)lichaam, met geschoeide voet heeft geschopt en/of getrapt, (terwijl voornoemde [benadeelde partij] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meerdere malen, althans eenmaal, met een mes in de halsstreek en/of borststreek en/of buikstreek, althans in het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of
- de hals en/of keel van die [benadeelde partij] met zijn, verdachtes, handen heeft vastgepakt en/of (vervolgens) gedurende enige tijd de hals en/of keel van die [benadeelde partij] heeft dichtgeknepen en/of die [benadeelde partij] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [benadeelde partij] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of
- voornoemde [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of gezicht, althans het (boven)lichaam, met geschoeide voet heeft geschopt en/of getrapt, (terwijl voornoemde [benadeelde partij] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk en met
voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een (of meerdere) van zijn, verdachtes, vinger(s) (met kracht) op de oogbal en/of op het oog van die [benadeelde partij] heeft gedrukt en/of geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [benadeelde partij] met voorbedachten rade heeft mishandeld door met een (of meerdere) van zijn, verdachtes, vinger(s) (met kracht) op de oogbal en/of op het oog van die [benadeelde partij] te drukken en/of duwen.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Zij heeft daarom verzocht verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord. De onder 1 ook (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag en de onder 2 (primair) tenlastegelegde poging tot zware mishandeling acht de officier van justitie bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank acht de onder 2 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen, omdat er sprake is van onvoldoende wettig bewijs. Dat verdachte met zijn vingers op de oogbal van [benadeelde partij] (hierna: aangever) heeft gedrukt, volgt enkel uit de verklaring van aangever. Er is weliswaar letsel aan het linkeroog van aangever geconstateerd, maar dit kan ook zijn ontstaan door de andere geweldshandelingen die bewezen worden verklaard. Het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan kan niet worden gebaseerd op uitsluitend één verklaring. Verdachte wordt daarom van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken.
3.3.2.
Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van aangever. Van de poging tot moord op aangever wordt verdachte vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.3.2.1. Vrijspraak van poging tot moord
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft beraden op een te nemen of genomen besluit om aangever te doden en dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot moord.
3.3.2.2. Poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood en (voorwaardelijk) opzet op dit gevolg bij de dader.
Aanmerkelijke kans op de dood
Op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever – in genoemde volgorde – meerdere messteken heeft toegebracht, heeft gewurgd en meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geschopt. Uit de letselrapportage van 21 februari 2025 blijkt dat in het bijzonder de messteken in de hals- en borststreek een groot risico op de dood met zich mee brachten. Het dichtknijpen van de keel en het schoppen tegen het hoofd zijn geweldshandelingen die op zichzelf niet altijd een aanmerkelijk kans op de dood met zich meebrengen, maar zullen in dit geval – door te zijn toegepast na de toedracht van mogelijk fatale messteken – het risico op de dood van aangever hebben vergroot. Naar het oordeel van de rechtbank hebben alle genoemde geweldshandelingen tezamen genomen een aanmerkelijke kans op de dood veroorzaakt.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank overweegt dat de uitgevoerde geweldshandelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm blijk geven van in ieder geval voorwaardelijk opzet om aangever dodelijk letsel toe te brengen. Door aangever te steken, te wurgen en te schoppen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg van de daardoor ontstane verwondingen zou overlijden.
Ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van de gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan?
De raadsman heeft aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet kan worden bewezen, omdat bij verdachte ieder inzicht in zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Volgens de raadsman zijn er voldoende aanwijzingen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn wil niet kon bepalen, omdat zijn hele denken, handelen en voelen werd beheerst door zijn schizofrene stoornis. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om aangever dodelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank stelt voorop dat slechts bij hoge uitzondering sprake zal zijn van het ontbreken van opzet, dat wil zeggen dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Naast dat er geen stoornis bij verdachte is vastgesteld ten tijde van het tenlastegelegde, zoals hierna in rubriek 6 wordt besproken, doet die uitzonderlijke situatie zich gelet op het volgende niet voor. Uit de verklaring van aangever volgt dat verdachte bij het toebrengen van de messteken heeft geroepen: “Jij hebt mijn dochter geneukt, bloed maar lekker.” Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in ieder geval enig inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Klaarblijkelijk was verdachte op dat moment zich ervan bewust dat zijn messteken bloedige verwondingen bij aangever zouden veroorzaken. De verweren van de raadsman worden daarom verworpen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 5 juni 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven,
- meerdere malen, met een mes in de halsstreek, borststreek en buikstreek van [benadeelde partij] heeft gestoken en
- de keel van die [benadeelde partij] met zijn, verdachtes, handen heeft vastgepakt en (vervolgens) gedurende enige tijd de keel van die [benadeelde partij] heeft dichtgeknepen en/of die [benadeelde partij] heeft gewurgd en aldus gedurende enige tijd die [benadeelde partij] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en
- voornoemde [benadeelde partij] meermalen, met kracht tegen het hoofd met geschoeide voet heeft geschopt, terwijl voornoemde [benadeelde partij] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
De raadsman heeft vragen gesteld bij de toerekening van de gedragingen van verdachte aan hem. De rechtbank heeft deze vragen mede opgevat als een beroep op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel is iemand niet strafbaar als hij een feit begaat dat hem wegens een psychische stoornis niet kan worden toegerekend.
Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 22 en 27 november 2024, opgesteld door psychiater E. Mutter en psycholoog J. Jongerius. Daarnaast heeft de rechtbank psychiater E. Mutter ter terechtzitting als deskundige gehoord.
De psycholoog heeft in haar rapportage geconcludeerd dat het niet mogelijk is gebleken om betrouwbaar vast te kunnen stellen of er bij verdachte sprake is (geweest) van een psychische stoornis. Zij kan dan ook geen uitspraak doen over een verband tussen de stoornis en de tenlastegelegde feiten.
De psychiater heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat er bij verdachte sprake was van een psychotisch toestandsbeeld of van een andere psychische stoornis voor of ten tijde van het tenlastegelegde. De rechtbank vat haar bevindingen als volgt samen.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen als bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld een contact- en locatieverbod ten aanzien van aangever en zijn woonadres.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf ter hoogte van de periode van de al uitgezeten voorlopige hechtenis op te leggen. Indien de rechtbank zou oordelen dat verdachte zwaarder gestraft zou moeten worden, is verzocht om daarnaast een taakstraf op te leggen.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft geprobeerd zijn jeugdvriend te doden door hem meermalen met een mes te steken, te wurgen en tegen zijn hoofd te schoppen. Verdachte heeft hem uit het niets aangevallen, terwijl zij samen in de auto zaten. Waarom verdachte tot deze geweldsuitbarsting is gekomen, is onduidelijk gebleven, mede omdat verdachte heeft verklaard zich hiervan niets te kunnen herinneren. Verdachte mag van geluk spreken dat aangever het incident heeft overleefd. Uit de slachtofferverklaring van aangever volgt dat het geweldsincident een grote impact heeft op zijn leven. Het incident roept nog steeds veel vragen op, hij heeft last van paniekaanvallen en slaapproblemen, en zijn vertrouwen in mensen is geschaad. Hoewel verdachte en aangever een mediaton-traject zijn aangegaan, heeft dit niet het effect opgeleverd waarop aangever hoopte. Zijn vragen zijn niet beantwoord.
Daar komt nog bij dat verdachte een deel van het geweld heeft uitgeoefend op de openbare weg. Een buurtbewoner en twee taxichauffeurs hebben gezien dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer te wurgen en hard tegen zijn hoofd en lichaam heeft geschopt. Zij zijn ongevraagd geconfronteerd met dit grove geweld. Dit kan bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 juni 2024. Hieruit blijken geen relevante eerdere veroordelingen.
Naast de in rubriek 6 genoemde Pro Justitia rapportages heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 februari 2025, opgesteld door [naam] . Uit het rapport blijkt – kort gezegd – het volgende. De reclassering constateert bij verdachte problemen op verschillende leefgebieden. Zo heeft verdachte forse schulden, kampte hij recentelijk met een gokverslaving, is hij in het verleden gediagnosticeerd met schizofrenie en is hij zorgmijdend. Verdachte lijkt moeite te hebben om zich in het dagelijks leven staande te houden. Er kunnen echter geen verbanden worden gelegd tussen deze problematiek en het tenlastegelegde. Daarnaast kan de reclassering geen inschatting maken van het recidiverisico, omdat verdachte aangeeft zich niets te kunnen herinneren van het tenlastegelegde. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico’s van herhaling te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Om deze redenen wordt geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Indien verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering om in het kader van detentiefasering opnieuw te beoordelen of bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn om zijn terugkeer in de maatschappij te begeleiden.
Motivering
De ernst van het feit rechtvaardigt op zichzelf een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de persoon van verdachte en de inhoud van het reclasseringsrapport ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen noodzaak om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
38v-maatregel
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het noodzakelijk is dat het door aangever gewenste locatie- en contactverbod wordt opgelegd. Zij zal dit opleggen als maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel is noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten tegen aangever zal plegen en om hem te beschermen. De rechtbank beveelt de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaar en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden.
8Beslag
De rechtbank overweegt ten aanzien van de op de beslaglijst (bijlage II) genoemde goederen het volgende.
Onttrekking aan het verkeer
Het bewezen geachte is met het mes (item 4) begaan. De rechtbank is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, omdat het mes op zichzelf een gevaarlijk object is. Daarnaast is bloed van het slachtoffer op het mes aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van de biologische sporen van het slachtoffer acht de rechtbank eveneens in strijd met het algemeen belang. Om die reden worden ook de inbeslaggenomen kledingitems (items 1 tot en met 3) waarop bloed van het slachtoffer is aangetroffen, onttrokken aan het verkeer.
9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] (aangever) vordert € 11.193,05 aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bestaat uit een vergoeding voor het eigen risico van € 385,- en een vergoeding voor tandartskosten van € 10.808,05 voor het herstel van implantaten.
De vordering voor de betaling van het eigen risico (€ 385,-) is niet betwist. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de zorgverzekeraar.
De vordering voor vergoeding van de tandartskosten (€ 10.808,05) is betwist. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de benadeelde partij tegen zijn hoofd heeft geschopt. Doordat een diagnose van de tandarts ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen dat het schoppen tot het verlies van de implantaten heeft geleid en dat de gevorderde tandartskosten betrekking hebben op het herstel daarvan. Het toelaten van nadere bewijslevering betekent dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dit zou een onevenredige belasting van deze procedure opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, omdat hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij voldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij last heeft van de lichamelijke en psychische klachten zoals omschreven in de toelichting van 21 februari 2025 van zijn advocaat. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële-schadevergoeding naar billijkheid op € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Poging tot doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat het volgende wordt bevolen:
1. de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met aangever [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] ;
2) de veroordeelde zal zich niet bevinden op of binnen een straal van 500 meter van het adres: [adres] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
STK Trui (Omschrijving: PL1300-2024131156-6510240, wit);
1 STK Broek (Omschrijving: PL1300-2024131156-6510242, zwart);
1 STK Schoenen (Omschrijving: PL1300-2024131156-6510243, Sportschoenen);
1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024131156-6510353, Lemmet).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 385,- (driehonderd vijfentachtig) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de factuurdatum van de zorgverzekeraar, en € 15.000,- (vijftienduizend) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2024) tot aan de dag van betaling.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële vordering voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Wijst de vordering vergoeding van immateriële schade voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 15.385,- (vijftienduizend driehonderd vijfentachtig) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de factuurdatum van de zorgverzekeraar (€ 385,-) en vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2024; € 15.000,-) tot aan de dag van betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 111 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L. Bergsma en S.S. Khawaja, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2025.
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]