Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:3810
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,918 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/3087 (vovo) en 25/3241 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Singh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Spoedeisend belang
2.1.
De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Eiser is sinds medio 2024 werkzaam als chauffeur bij personenvervoersbedrijf [naam] . Hiervoor is het noodzakelijk dat hij een chauffeurskaart heeft bij KIWA. De chauffeurskaart is op 28 februari 2025 door KIWA geschorst omdat eiser geen VOG kon overleggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang. Sinds de schorsing van de chauffeurskaart kan eiser zijn werkzaamheden niet uitvoeren en heeft hij geen inkomsten meer. Hoewel de onderbouwing onderbreekt, is het aannemelijk dat hij zijn baan kwijtraakt als de chauffeurskaart wordt ingetrokken. Daarbij heeft eiser schulden. Zonder baan kan hij niet meer aan zijn betalingsregelingen voldoen.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, doet zij tevens onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.
Totstandkoming besluit
3.1.
Eiser heeft op 8 januari 2025 een VOG aangevraagd voor een chauffeurskaart.
3.2.
Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de justitiële documentatie van eiser. De aanvraag is afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard, omdat binnen de terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem JDS de volgende feiten zijn geregistreerd:
Eiser is op 11 maart 2025 veroordeeld wegens het voorbereiden van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet (artikel 10a lid 1 ahf/sub 1, 2 en 3, artikel 10 lid 4 juncto artikel 2 ahf/ond B van de Opiumwet) tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze uitspraak is op 11 maart 2025 onherroepelijk geworden.
Bij strafbeschikking van 3 februari 2025 is eiser een geldboete van € 450, - opgelegd wegens het rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd (artikel 9, achtste lid van de Wegenverkeerswet 1994).
Op 16 januari 2025 is jegens eiser een zaak wegens drugshandel (artikel 10, vierde lid juncto artikel 2 ahf/ond B van de Opiumwet) geseponeerd op grond van “oud feit”.
Bij strafbeschikking van 5 november 2024 is eiser een geldboete van € 280, - opgelegd wegens het niet voldoen aan de vordering van een toezichthouder (artikel 34, eerste lid ahf/ond c van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften)
Bij strafbeschikking van 28 augustus 2024 is u een geldboete van € 700,- opgelegd wegens als bestuurder onverzekerd rijden (artikel 30, vierde lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)
Eiser is op 23 september 2021 veroordeeld wegens niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994) tot een werkstraf van zestien uren subsidiair acht dagen jeugddetentie waarvan acht uren en vier dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd is op 7 oktober 2023 geëindigd.
3.3
Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te brengen op het voornemen om de aanvraag voor de VOG af te wijzen. Hierna heeft verweerder de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Relevante wet- en regelgeving
4. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2023 (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG toch moet worden afgegeven. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart.
Het objectieve criterium
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het subjectieve criterium
6.1.
Eiser is het niet eens met de belangenafweging van verweerder. Hij is van mening dat de afweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. De antecedenten zijn gepleegd toen hij tussen de zestien en achttien jaar oud was waardoor het risico voor de samenleving beperkt is. Eiser heeft sindsdien geen nieuwe verkeersdelicten of andere feiten meer begaan. Inmiddels werkt hij al tien maanden bij zijn nieuwe werkgever waar hij uitstekend gedrag vertoont, wat wordt onderbouwd door een verklaring van zijn werkgever. Daar komt bij dat eiser in juli 2024 wél een VOG heeft verkregen. Sinds de verlening van deze VOG zijn er slechts twee lichte overtredingen op 2 november 2024 bijgekomen. Eiser is toen staande gehouden wegens hoge openstaande boetes. Zijn rijbewijs is toen ingenomen als pressiemiddel. Eiser heeft zijn boetes direct betaald en kreeg ook zijn rijbewijs diezelfde dag weer terug. Deze overtredingen hebben niets met eisers rijgedrag te maken.
6.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de twee overtredingen op 2 november 2024 niet (te) zwaar kunnen meewegen. Echter, anders dan eiser meent, zijn er ten opzichte van de verlening van de VOG in juli 2024 niet slechts twee overtredingen bijgekomen op het strafblad van eiser. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat de VOG vorige keer gebaseerd was op de op dat moment bekende overtredingen, namelijk de veroordeling van 23 september 2021 en een verkeersdelict van 2019 (buiten de terugkijk termijn). Sinds maart van dit jaar is eiser veroordeeld voor het in het bezit hebben van harddrugs. Daarnaast heeft eiser in februari 2025 een strafbeschikking gekregen wegens het rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd. Op 16 januari 2025 is een zaak wegens drugshandel geseponeerd. Op 28 augustus 2024 heeft eiser een strafbeschikking opgelegd gekregen vanwege het als bestuurder onverzekerd rijden. De stelling van eiser dat hij na de verlening van zijn VOG in juli 2024 slechts twee overtredingen op zijn naam heeft staan, is dus onjuist. De rechtbank volgt daarom de overwegingen van verweerder dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder stelt ter onderbouwing dat het plegen van een drugsdelict niet samen gaat met de functie van taxichauffeur. Dat volgt uit vaste rechtspraak. Hieruit volgt het risico dat de klanten van eiser te maken krijgen met drugs of met criminele activiteiten die horen bij drugs. Daarnaast is eiser eerder in aanraking met justitie geweest omdat hij een ambtelijk bevel niet heeft opgevolgd. Hierdoor bestaat volgens verweerder het risico dat eiser ook niet luistert naar de opdrachten en regels van ambtenaren in zijn werkzaamheden als taxichauffeur. Ook dit gaat niet samen met de functie van taxichauffeur. Hetzelfde geldt voor onverzekerd rijden.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
Dit kan op grond van artikel 23a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4726.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2015, EWCLI:NL:RVS:2015:3892.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4521.