Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:3805
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,486 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-070960-25
Datum uitspraak: 10 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 februari 2025 door de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel in België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van 28 februari 2025 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
Genoegzaamheid
De raadsman heeft betoogd dat de feitenomschrijving in onderdeel e) van het EAB onvoldoende informatie bevat over de (mate van) betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten, waardoor het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Weliswaar wordt de opgeëiste persoon in verbinding gebracht met een telefoonnummer en de bijnaam ‘ [bijnaam] ’, maar niet staat vermeld hoe de opgeëiste persoon bij de omschreven diefstallen betrokken is geweest.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het verweer van de verdediging geen standpunt ingenomen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon uit onderdeel e) van het EAB kan worden opgemaakt dat de Belgische autoriteiten de opgeëiste persoon verwijten andere bij diefstallen betrokkenen te hebben opgehaald. Ook is vermeld dat de opgeëiste persoon via een telefoonnummer dat aan hem wordt toegeschreven foto’s van gestolen goederen heeft ontvangen en dat dit telefoonnummer gedurende de pleegperiode in België in de onmiddellijke omgeving van de pleegplaats van de feiten actief is geweest. Gelet op deze gegevens, in samenhang bezien met het in het dossier gevoegde A-formulier waarin de opgeëiste persoon als ‘dader’ wordt aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat het voldoende duidelijk is waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland onder nummers 1, 18 en 23 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- deelneming aan een criminele organisatie;
- georganiseerde of gewapende diefstal;
- vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 28 april 2025 volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn hiervoor in rubriek 3 besproken verweer over de genoegzaamheid van het EAB betoogd dat de lijstfeiten niet in redelijkheid zijn aangewezen.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 29 april 2025 heeft de procureur des Konings in Halle-Vilvoorde in België een garantie gegeven die – kort samengevat – inhoudt dat de opgeëiste persoon na overlevering een eventuele in België opgelegde vrijheidsbenemende straf in Nederland zou mogen ondergaan. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon aangegeven zich (nog) niet op deze garantie te beroepen. De rechtbank zal de verstrekte garantie daarom niet nader bespreken en - nu de opgeëiste persoon geen beroep doet op artikel 6 OLW - de overlevering niet van een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW afhankelijk maken.
6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in België
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Dit algemeen gevaar bestaat op dit moment nog steeds.
Op 29 april 2025 heeft het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel in België de volgende detentiegarantie is gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm.
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval egelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank niet langer van de door de Belgische autoriteiten geboden garanties kan uitgaan. Daarbij heeft hij verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep in Brussel in België van 18 februari 2025, waarin aan de Belgische staat dwangsommen zijn opgelegd met betrekking tot de detentie-instelling in Haren waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zou worden gedetineerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat de door de Belgische autoriteiten verstrekte garanties voldoen, nu die zien op het individuele geval van de opgeëiste persoon.
Beoordeling
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2025) gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar op een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van het in de fouillering van de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerp – te weten een Apple iPhone met simkaartnummer [nummer] aangetroffen tijdens de fouillering van de opgeëiste persoon – aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel in België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van het in beslag genomen voorwerp, een Apple iPhone met simkaartnummer [nummer] , aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Rb. Amsterdam 29 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:553.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.