Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:3802
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,181 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-060729-25
Datum uitspraak: 10 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2025 door het Kantongerecht (Amtsgericht) Wiesbaden in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht (Amtsgericht) Wiesbaden van 31 januari 2025 met dossiernummer 71 Gs 172/25 (2240 Js 12391/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland onder nummer 18 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van haar gezinsleven en haar belangen in Nederland gevestigd.
Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Op 29 april 2025 heeft de hoofdofficier van justitie bij de Staatsanwaltschaft Wiesbaden de volgende garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon gegeven:
Wij garanderen hierbij, dat de gevolgde, vorengenoemde persoon in geval van een veroordeling met kracht van gewijsde in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 3008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 dd. 5-12-2008, p. 27) voor de verdergaande tenuitvoerlegging van de straf naar het Koninkrijk der Nederlanden teruggezonden wordt.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 11 OLW; artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
(
family life
)
De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon een beroep gedaan op het recht op family life, zoals bedoeld in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Daarbij heeft de raadsman – onder verwijzing naar stukken – aangevoerd dat het zoontje van de opgeëiste persoon afhankelijk is van haar zorg, gelet op zijn complexe medische problematiek. Hij is onder meer gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en een globale ontwikkelingsachterstand. De overlevering van de opgeëiste persoon zou daarom kunnen leiden tot ontoelaatbare gevolgen voor het welzijn van het zoontje.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, van het Handvest, een toegestane beperking is van de uitoefening van het hiervoor genoemde recht. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overleving beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, op zichzelf niet onevenredig.
Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. De rechtbank overweegt in dit kader dat uit de door de verdediging ingebrachte stukken blijkt dat er voorzien is in een netwerk van (medische) zorg voor het zoontje van de opgeëiste persoon wanneer de overlevering zou worden toegestaan. Bovendien heeft de verdediging niet aangetoond welke concrete zwaarwegende nadelige gevolgen de overlevering van de opgeëiste persoon voor haar zoontje teweeg kan brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, waardoor de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven geen beletsel voor de overlevering oplevert. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht (Amtsgericht) Wiesbaden in de Bondsrepubliek Duitsland voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.
Zie o.a.: HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1044; rb. Amsterdam 17 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2182 en rb. Amsterdam 3 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4246.