Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-14
ECLI:NL:RBAMS:2025:3698
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,004 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.169837.24
Datum uitspraak: 14 maart 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op het adres [adres 1] [plaats 1]
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.F. van Kregten en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] namens [jeugdbescherming locatie] (hierna: de jeugdreclassering) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1. hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan/bij een (toegangs)deur van een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ) opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een explosief, in elk geval zwaar (professioneel) vuurwerk, tegen/aan voornoemde (toegangs)deur gelegd en/of bevestigd en/of (vervolgens) laten ontploffen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
2. hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] en/of één of meerdere onbekende perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door zwaar (professioneel) vuurwerk, tegen/aan de (toegangs)deur van het (bedrijfs)pand van voornoemde [slachtoffer] (gelegen aan de [adres 2] ) te leggen en/of te bevestigen en/of (vervolgens) te laten ontploffen;
3. hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gebouw, te weten een bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ), opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd, door een explosief, in elk geval zwaar (professioneel) vuurwerk, tegen/aan (de (toegangs)deur van) voornoemd (bedrijfs)pand leggen en/of te bevestigen, als gevolg waarvan een ontploffing teweeg werd gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd (bedrijfs)pand en/of de in en/of nabij voornoemde aanwezige goederen en/of levensgevaar voor een ander, te weten (een) in voornoemd (bedrijfs)pand aanwezige perso(o)n(en), te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (de (toegangs)deur van) een bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4. hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) explosieve constructie(s), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak feit 3 primair
Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 primair tenlastegelegde, medeplegen van opzettelijk vernielen/beschadigen van een gebouw, niet wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte zal daarvan zonder nadere motivering worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4
Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 23 mei 2024 een explosief heeft geplaatst en aangestoken bij de deur van een tandartsenpraktijk in Amsterdam Zuid-Oost. Gelet op deze bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de overige bewijsmiddelen is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte deze feiten samen met een ander heeft gepleegd en acht de rechtbank medeplegen bewezen.
Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd acht de rechtbank niet bewezen dat bij het onder 1 tenlastegelegde sprake is geweest van gevaar voor lichamelijk letsel. Van dat onderdeel zal de verdachte worden vrijgesproken.
De rechtbank legt dat hieronder nader uit.
4.2.1.
Feiten
De raadsman heeft bepleit dat het medeplegen ten aanzien van alle feiten niet kan worden bewezen. Het plaatsen en voorhanden hebben van het explosief zijn specifiek individuele handelingen, waarbij geen sprake van een significante bijdrage van een ander is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat uit het bewijs volgt dat het plan voor de ontploffing niet afkomstig van verdachte is geweest; verdachte heeft van een medeverdachte instructies gehad om het explosief te plaatsen en voor verdachte is in dit verband ook een (vlucht)fiets geregeld. Ook heeft verdachte van een medeverdachte de spullen voor de ontploffing en de te spuiten tekst (cobra’s en verfspuitbus) ontvangen. Uit de bewijsmiddelen valt niet af te leiden dat deze medeverdachte bij het plaatsen van het explosief aanwezig is geweest. Verdachte ontkent dat ook. Dat neemt niet weg dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de medeverdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van rechtbank van zodanig gewicht dat er sprake is geweest van medeplegen.
4.2.2.
Feit 1: bewijsoverweging te duchten gevaar
Dat door de ontploffing van het explosief gevaar heeft bestaan voor goederen heeft niet ter discussie gestaan en acht de rechtbank bewezen. De rechtbank is evenwel, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om te kunnen vaststellen dat met de explosie ook levensgevaar te duchten is geweest.
Ook is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om het te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel aan te nemen. Uit het proces-verbaal van onderzoek (pagina A 033) volgt dat bij het ontploffen van cobra’s in de nabijheid van personen gevaar voor letsel ontstaat, waarbij de ernst van het letsel afhankelijk is van de plaats van het contact. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat er personen nabij waren op het moment van de ontploffing. Hierdoor valt niet vast te stellen dat de ontploffing daadwerkelijk gevaar voor (zwaar) letsel bij personen heeft opgeleverd. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 23 mei 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander bij een toegangsdeur van een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 2] ) opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een explosief, in elk geval zwaar vuurwerk, tegen voornoemde toegangsdeur gelegd en vervolgens laten ontploffen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 23 mei 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door zwaar vuurwerk, tegen de toegangsdeur van het bedrijfspand van voornoemde [slachtoffer] (gelegen aan de [adres 2] ) te leggen en vervolgens te laten ontploffen;
ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde:
hij op 23 mei 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk de toegangsdeur van een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft beschadigd;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
hij omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een explosieve constructie, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
6Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden moeten de door de Raad geadviseerde voorwaarden worden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht de persoonlijke omstandigheden van verdachte voldoende tot uitdrukking komen in de geëiste straf van de officier van justitie. Het gaat goed met verdachte en er is sprake van een laag recidiverisico. Er zijn geen bezwaren tegen de geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het meewerken aan het wekelijks controleren van de telefoon-geschiedenis van verdachte door zijn ouders. Dit is een zeer ingrijpende maatregel. Daarbij komt dat het niet nodig is nu het goed gaat met verdachte en dit zou bovendien afbreuk doen aan de ontwikkeling die verdachte moet en kan maken met behulp van de andere voorwaarden.
Beoordeling
Bij de bepaling van de op te leggen straf is rekening gehouden met de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een tandartsenpraktijk met zwaar vuurwerk, waardoor schade voor goederen te duchten is geweest. Het motief voor de explosie is onduidelijk gebleven.
Dit soort explosies zijn tegenwoordig aan de orde van de dag en hebben kennelijk tot doel personen te intimideren. Het is een groot maatschappelijk probleem. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid voor omwonenden en voor de samenleving in zijn geheel. Dat het bij de eigenaar van de tandartspraktijk, die al voor de tweede keer slachtoffer was van een dergelijk feit, ook angst heeft opgeleverd blijkt ook uit zijn aangifte.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 januari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Hij wordt dus aangemerkt als first offender.
Uit het Pro Justitia rapport van 15 november 2024, opgesteld door dr. [persoon 3] , GZ-psycholoog, blijkt dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of verstandelijke beperking. Wel lijkt zijn sociaal-emotionele ontwikkeling wat achter te lopen en is hij door een broze identiteitsontwikkeling beïnvloedbaar voor anderen. Ook maakt het disharmonische intelligentieprofiel het lastiger voor hem om situaties volledig te overzien. Een kader van toezicht wordt geadviseerd waarbij zicht wordt gehouden op verdachte en zijn omstandigheden vanuit de jeugdreclassering.
Uit het rapport van de Raad van 10 maart 2025, dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt blijkt dat de kans op herhaling op basis van statische gegevens als matig wordt ingeschat. Op basis van dynamische gegevens wordt dit risico als heel laag ingeschat. Er zijn veel beschermende factoren aanwezig, maar er worden wel nog wat zorgen gezien. Om de positieve ontwikkeling van verdachte vast te houden is de Raad van mening dat jeugdreclasseringstoezicht noodzakelijk is. De Raad adviseert op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie. Als bijzondere voorwaarden heeft de Raad ter zitting geadviseerd tot het volgen van school en/of stage volgens het rooster en meewerken aan begeleiding vanuit een coach.
De jeugdreclassering heeft op de zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met verdachte. Verdachte is sinds 1 augustus 2024 geschorst uit de voorlopige hechtenis en werkt sindsdien goed mee aan de schorsingsvoorwaarden. Ook verloopt de schoolgang goed, behalve dat het verdachte niet lukt om een stage te vinden. Er bestaan ook nog wat zorgen over het netwerk van verdachte. Het is belangrijk om in het kader van bijzondere voorwaarden hier meer zicht op te krijgen en verdachte verder te begeleiden. Geadviseerd wordt om meer concrete voorwaarden op te leggen, namelijk een meldplicht, schoolgang en/of stage volgens lesrooster, meewerken aan het vinden en behouden van vrijetijdsbesteding, behandeling die door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht en toezicht op telefoongebruik.
De moeder van verdachte heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met verdachte. Met school gaat het goed en verdachte zet zich steeds beter in. Hij is meer open naar ouders en praat veel met hen. Het is fijn als verdachte langer begeleiding krijgt, waaronder van de coach.
Alle hiervoor genoemde omstandigheden afwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten een forse jeugddetentie rechtvaardigt. Deze jeugddetentie zal deels voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk wordt gesteld aan het voorarrest. De rechtbank acht het namelijk niet in het belang van verdachte of de maatschappij dat verdachte weer vast komt te zitten. Verdachte heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt in zijn schorsingsperiode en het gaat nu goed met hem. Hij woont weer bij zijn ouders, gaat naar school, houdt zich aan alle schorsingsvoorwaarden en stelt zich meewerkend en gemotiveerd op. Het is belangrijk dat de ingezette lijn wordt voortgezet om de kans op herhaling laag te houden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank daarom de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd verbinden. Hiermee krijgt verdachte nog langer begeleiding en toezicht vanuit de jeugdreclassering, zodat ook de nog bestaande zorgen over het netwerk van verdachte kunnen verminderen. De rechtbank is het met de advocaat en de officier van justitie eens dat het opleggen van telefoon toezicht te ingrijpend is, mede gelet op de leeftijd van verdachte. Verdachte heeft recht op zijn privacy en zal zelf moeten leren om goed met zijn telefoongebruik om te gaan. Wel staat het de jeugdreclassering natuurlijk vrij om hierover in het kader van de maatregel toezicht en begeleiding gesprekken met verdachte te voeren. Ook zal de rechtbank niet opleggen dat verdachte aan alle hulpverlening moet meewerken die door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht, omdat daar op dit moment onvoldoende aanknopingspunten voor worden gezien. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat ouders de weg naar de hulpverlening zelf ook weten te vinden.
Het voorwaardelijk strafdeel moet er tot slot voor zorgen dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte nog consequenties ervaart van zijn handelen en zal daarom, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie een werkstraf voor de duur van 40 uren opleggen, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.
10Beslag
De beslaglijsten vermeldt:
- 1 STK Fiets
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen fiets voor verbeurdverklaring vatbaar is. Gebleken is dat verdachte de fiets heeft gebruikt bij het plegen van het delict. Verdachte heeft namelijk de fiets ingezet als vervoersmiddel van/naar de plaats delict. De rechtbank zal de fiets dan ook verbeurdverklaren.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslising.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, te weten 70 (zeventig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 20 (twintig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
2. zich meldt bij [jeugdbescherming locatie] op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
3. zich houdt aan het rooster van zijn school/stage;
4. meewerkt aan de begeleiding van een coach vanuit E25 of een soortgelijke instantie;
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
6. zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan [jeugdbescherming locatie] te [plaats 2], een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.
Beveelt dat, als verdachte de leerstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.
Verklaart verbeurd:
1 STK fiets.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. R.H. Mulderije en M. van Gemert, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.