Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:3599
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
964 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11105667 CV EXPL 24-4638
vonnis van: 27 mei 2025
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
Stichting Hogeschool Utrecht
gevestigd te Utrecht
eisende partij
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verder verloop van de procedure
Bij tussenvonnis van 25 februari 2025 is eisende partij in de gelegenheid gesteld een akte te nemen zoals in dat vonnis is overwogen. Hieraan heeft eisende partij voldaan.
De zaak staat thans weer voor vonnis.
Gronden van de beslissing
Eisende partij heeft bij akte van 25 maart 2025 de op de onderwijsovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (Inschrijfregeling HU van het betreffende studiejaar) overgelegd en gesteld dat in deze voorwaarden geen bepalingen met betrekking tot rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn opgenomen.
De kantonrechter stelt vast dat eisende partij geen (oneerlijke) bedingen over buitengerechtelijke kosten en rente in haar algemene voorwaarden heeft staan, zodat zij aanspraak kan maken op de wettelijke regelingen.
De kantonrechter stelt thans nog het volgende vast.
In de dagvaarding wordt vermeld dat eisende partij een door de overheid bekostigde onderwijsinstelling is als bedoeld in bijvoorbeeld de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHV) Uit deze algemene toelichting in de dagvaarding blijkt niet of hier sprake is van een op grond van art. 7.43 WHW bekostigde opleiding en gedaagde partij alleen het wettelijk collegegeld als bedoeld in art. 7.45 en 7.45a WHW verschuldigd is of een niet bekostigde opleiding, zie HR 31 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:165 waarbij de hoogte van het instellingscollegegeld door het instellingsbestuur wordt vastgesteld (art. 7.46 lid 2 WHW). Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld hierover duidelijk te geven, waartoe zij in geval sprake is van een regulier bekostigde opleiding de inschrijving in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (croho-code) dient te verschaffen. Indien geen sprake is van een bekostigde opleiding als hiervoor bedoeld, wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld toe te lichten en te onderbouwen dat zij heeft voldaan een aan de precontractuele en contractuele informatieplichten. Ook moet eisende partij toelichten of sprake is van het in rekening brengen van uitsluitend het wettelijk collegegeld of dat daarnaast door eisende partij nog andere bedragen worden gevorderd. Indien dit laatste het geval is wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld de hoogte daarvan te specificeren, alsmede toe te lichten of en zo ja hoe eisende partij gedaagde partij over deze kosten heeft geïnformeerd voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst.
De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol over vier weken.
Eisende partij dient in het vervolg in iedere afzonderlijke zaak waarbij de gedaagde partij is aan te merken als een consument de hiervoor vermelde informatie bij dagvaarding verschaffen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
I. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 24 juni 2025 te 10.00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij zoals hiervoor bedoeld;
II. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.